Een sage. Door Driekus – opa vertelt – Vierkant, de plaggensteker.
Vroeger! Vroeger was Groningen een moeras. Net als de rest van Nederland. Zo’n zompig stinkend drassig nat stuk delta met water, rottende planten, muggen, kwakende eenden, en hier en daar een struik of een boom. Moeras en veen waarin je diep wegzakt en het hoofd niet boven het water kon houden.
Moerasbewoners zochten uiteraard de droge plekjes op. Een graspol, of een zandruggetje. Maar ja, als je op zo’n graspol staat, zak je alsnog langzaam weg.
Op de uitloper van zo’n zandrug is de stad Groningen gebouwd. Maar die moerasmentaliteit is gebleven.
Groningen wordt gekenmerkt door een paar grote zandruggen zoals de (zand)RuG, UMCG, gemeente en provincie. De grootste werkgevers die veel belastinggeld uit Den Haag krijgen en hier een beetje de poet verdelen. Logisch dat veel mensen ook op die zandrug willen staan.
Een groot deel van de resterende mensen staat op een desolate graspol en krijgt af en toe een schep zand van een van die subsidiegevers uitgedeeld, zodat ze net droge voeten houden.
Ze hebben geen idee hoe ze op eigen benen moeten staan, en zelf die voeten droog moeten houden. Enig initiatief om een eigen dijkje te graven ontbreekt. Het hoeft ook niet, zolang je maar elk jaar een schep zand krijgt, toch?
De moerasbewoners hebben onderling totale haat en nijd. Want er is maximaal zoveel kuub zand per jaar te verdelen. En je moet er dus wel bij zijn. Stel je toch voor dat een andere graspol een extra schepje zand krijgt, dat gaat ten koste van jou, en dan zink je weg in de blupsie.
Het idee om gezamenlijk dat moeras in te dammen, het water weg te pompen, wat dijken of wierdes aan te leggen, dat is onmogelijk natuurlijk, want door al die haat en nijd valt er niet samen te werken. Lekker naar je eigen stilstaande voeten staren in plaats van naar de horizon te kijken en de wereld in te trekken.
Zo zie je dus dat er in Groningen overmatig veel mensen bezig zijn met hun eigen graspolletje. En iedereen doet hetzelfde, om dat schepje zand te krijgen. Er is dus veel concurrentie, veel focus op het eigen graspolletje, en geen gezamenlijk doel.
Dat is natuurlijk mooie verdeel en heers. Als zandverstrekker heb je totale macht over al die moerasbewoners, die bedelen en slijmen om een schepje zand, om te kunnen overleven.
Het schept een cultuur van niet samenwerken, van weinig initiatief, van aasgieren rond subsidiepotjes, vriendjespolitiek, geslijm en gesjoemel door nep-ondernemers, van mensen die zich heel belangrijk maken maar niks presteren, journalistiek die ook niet verder kijkt dan het moerasleven, mensen die heel druk zijn met irrelevante onderwerpen, en van een bestuurscultuur die zo slap is als de drassige bodem.
Natuurlijk zijn er ook meer ondernemende types, die het soms presteren om hun eigen wierde op te richten. Er zijn er zelfs die gezamenlijk werken aan dammen, dijkjes en inpoldering, die er wat moois van proberen te maken. Mensen die gebukt gaan onder zware lasten, ze moeten namelijk de helft van hun eigen opgeworpen zand afstaan die vervolgens zo die zandruggen weer op gekieperd wordt.
En als ze de kans krijgen dan lijven de grote zandrugbewoners succesvolle samenwerkingsinitiatieven in, en steken ze zodra ze de kans ruiken de dijken lek. Want stel je voor dat ze ooit zelf ingedamd worden. Dat zou verlies van macht betekenen.
Ja dat rottende moeras van Groningen, dat riekt aan alle kanten.
Ondertussen ploetert men met zijn allen maar door, op die ene plag, op dat ene zandbankje. Langzaam zakt men gezamenlijk weg in het stinkende moeras, niet doorhebbend dat ze hun drijfzand zelf hebben gecreëerd.
Nou lieverds maak er wat moois van! Hehe.
Misschien een cursus Jezus volgen, dan kun je over het water lopen.
Drie Kusjes op je natte voeten vanaf de Driekus Wierde

