Pien in pens

Door de pofferige Driekus Vierkant

Het was het jaar 1976 en Driekusje was net zeven geworden. Om dat te vieren hadden pa en moe bedacht om kleine Driekus de grote wereld te laten ontdekken. Met de trekker reden ze naar Hoogezand-Sappemeer om daarna met de trein naar Stad te gaan. Naar de grote stad! Groningen!

Sjongejonge, wat was Driekus enthousiast. Hij was nooit veel verder gekomen dan op zijn oude zwarte Gazelle met bruin lederen zadel en handvaten en beige banden van Kiel-Windeweer naar Veendam te fietsen, en weer terug, maar dat was dan met wind tegen dus dat viel best wel tegen. 

Vol spanning wachtten ze op het perron op de ‘sovjetrups’, zoals pa de trein noemde. Het perron rook naar vers teer en sigaretten. Daar kwam de trein! De deuren gingen open, mensen stroomden uit. Wat een drukte. Een schelle fluit klonk. 

Instappen moest snel. Moe hield niet van al die stress. Ze hield de kaartjes stevig in haar knuisten, voor als de conducteur zou komen. ‘Driekus, ga zitten!’ en ‘haal je klompen van die bank.’

De trein ging rijden. Wat een avontuur. De conducteur zag er serieus uit. Een magere lange man, met ingevallen wangen, hij droeg een donkerrood wollen vest over een blauw overhemd. Hij knipte de kaartjes met een stalen tang, en vroeg waar de reis heen ging.

‘Naar Stad meneer!’, riep Driekusje enthousiast. ‘Nou pas maar op je knip’, zei de conducteur, en knipoogde naar moe. Ze sloeg rood in haar nek uit. Pa stak een sigaret op, en tuurde over de voorbijrazende weilanden, de bomen en koeien. Het weidse en vlakke Groninger platteland trok voorbij aan het gezelschap, alsof er nooit een einde aan zou komen. En toch gaat dit verhaal over het einde van een tijdperk.

Daar in de verte doemden vijf pijpen op: Stad! Driekus zat met zijn neus en handen aan het raam, en nam alles in zich op: de huizen, de gebouwen, de kerktorens. Aangekomen op Station Groningen stuiterde Driekusje van enthousiasme uit de trein, en kletterde op zijn klompjes door het stationsgebouw naar buiten. Dikke paniek bij pa en moe, die hem uit het zicht waren verloren. 

Ze zagen hem gierend van het lachen bij het Peerd van Ome Loeks staan en tikte op zijn bil: ‘hort sik, hort sik!’, riep Driekus. 

Ze keken om zich heen. Drommen mensen, fietsen, bussen en auto’s, alles krioelde door elkaar heen. Het was een wonder dat er geen botsingen waren. ‘Moet je kijken wat een hoop mensen!’, riep Driekus, ‘zoveel heb ik in ‘t dorp nog nooit gezien!’ 

Driekus vond het allemaal prachtig. Tussen pa en moe in – allebei in een hand – zwaaiden ze Driekus naar voren. Langs het Verbindingskanaal verloor hij bijna een klomp. Moe drukte haar tas met de andere hand stevig tegen zich aan. ‘Je hoort van die verhalen over zakkenrollers’, zei ze. ‘Och’, bromde pa, ‘de echte zakkenrollers zitten in Stadhuis en Provincietehuis.’

Ze keken hun ogen uit. Wat een rijke panden aan het Hereplein. En wat een hoop mensen met rare kleding en lang haar. De provo’s liepen nog rond, maar na 7 jaren flower power was de shine er al wel wat af. Je zag ook mensen met zwarte leren jacks en zelfs iemand met geverfd haar met grote stekels. Driekus wees er naar. “Dat is een hanekam’, zei pa, ‘en misschien neem ik er ook een.’ Hij knipoogde naar Driekus.

Moe wilde shoppen, ze wilde een nieuwe tas kopen aan de Carolieweg. En ze wilde naar de kapper. Dat vond ze wel spannend, want het moest absoluut niet te gek. ‘Misschien neem ik wel een hanekam’, zei ze, en ze kukelde als een haan, tot grote hilariteit bij een groepje studenten. ‘Prima’, zei pa, dan gaan wij naar de Grote Markt, zullen we bij de nieuwe poffertjeskraam afspreken?

Driekus en pa liepen door de Herestraat naar boven, en verwonderden zich aan alle etalages, met prachtige kleren, de ene stof nog verfijnder dan de andere. Licht lila blauwe jurken, en oranje vesten met bruine, gele en rode tinten. Jeans met wijde pijpen. ‘Handig voor als je stevels hebt’, zei pa. Ze liepen door het Koude Gat naar de Vismarkt, en wat Berend Schuitema zei klopt dus echt: die markt stinkt naar zijn naam. Zo liepen pa en Driekus rond in het centrum van Groningen.

Midden op de Grote Markt keek Driekus zijn ogen uit. Er reden de nieuwste auto’s rond van DAF, en Mini, Eendjes, Kevers, Renault, Opel en zelfs een Audi, waar een pafferige veel te bruine vent met een gouden ketting en roze overhemd in zat en hij had van die vette krulletjes en een bril met bruine glazen. 

En daar was de Martinitoren. Vol verbazing keken pa en Driekus naar een paar mannen die met touwen afdaalden: er was een of ander spel gaande in de stad. ‘Honger?’ vroeg pa. ‘Zeker! Pa en Driekusje liepen naar de poffertjeskraam. Binnen was het warm en gezellig. Houten meubels, en plastic zeil over de tafels. Er zat een ouder stel aan een warm drankje, en een groep Duitsers vroeg om poffertjes en bier. 

Driekus en Pa gingen in zo’n knus nisje zitten. Houten banken, en gordijntjes. Driekus mocht warme chocomel en poffertjes en kreeg extra roomboter en poedersuiker. Pa nam poffertjes met rum. Moe kwam even later, en nam poffertjes met een likeurtje. Ze neuriede mee met de volksmuziek en klaagde dat alles plakte vanwege de poedersuiker. Ze kletsten over wat ze allemaal hadden gezien en ze keken naar al die grappige, vreemde en andere mensen die voorbij liepen. 

Toen Driekus ‘s avonds in zijn bedstee lag zei hij tegen pa en moe: dat was een mooie dag. Ik vind het een mooie stad. Maar ik ben blij dat ik in Kiel-Windeweer woon.

Die nacht werd Driekus wakker met buikpijn. De poffertjes waren wat waterig geweest. Met klontjes. Een beetje zuur ook. Maar wat was de stad een avontuur geweest. 

Na al die jaren koestert Driekus nog warme herinneringen aan die dag, dat hij met pa en moe zo zorgeloos de wereld ging ontdekken. 

En toch, toch heeft Driekus nu nog buikpijn. Niet van die poffertjes, maar dat de poffertjeskraam na bijna 50 jaar weg moet. De gemeente Groningen is onverbiddelijk. De kraam moet van het groene linkse college plaats maken voor zogenaamde vergroening. Bomen. Bomen van €50.000 per stuk.

Vergane glorie vergaat. Er zullen geen jochies meer de stad ontdekken en zulke fijne herinneringen bouwen aan een poffertjeskraam. Voor hen zal er de McDonalds zijn, of iets anders. 

Wat wel blijft is minachting van het bestuur richting kleine ondernemers zoals die poffertjeskraam, die geslachtofferd wordt, zonder een nette dialoog, en dat alles voor symbolische vergroening. De broccolisering van de samenleving heeft weer een slachtoffer. Hier houdt Driekus buikpijn van, veel erger dan die van kleffe poffertjes.

Drie Kusjes 

Eén reactie op “”

Plaats een reactie