DECENTRALE ENERGIE

ALS ANTWOORD OP

EEN EEUW WINGEWEST

Energiebeleid, regionale uitbuiting en de case voor decentrale opwekking en digitale soevereiniteit

Een beleidsperspectief – 2026

Samenvatting

De provincie Groningen heeft in de afgelopen honderd jaar drie opeenvolgende golven van energiewinning doorgemaakt: turfwinning, gaswinning, en de huidige uitrol van grootschalige wind- en zonneparken. In alle drie de gevallen vloeiden de opbrengsten grotendeels weg uit de regio, terwijl de lasten – armoede, aardbevingsschade, horizonvervuiling, geluidsoverlast, maatschappelijke ontwrichting – lokaal bleven.

Deze drie golven voltrekken zich binnen een energiesysteem dat fundamenteel verouderd is. Niet technisch verouderd in de zin van fossiele brandstoffen, maar structureel verouderd: een systeem van centrale opwekking, centraal bestuur, centrale belastingheffing en transport via een kwetsbaar, gecentraliseerd netwerk. Dit systeem – dat in dit paper als fossiel wordt aangeduid in de zin van achterhaald – is niet langer toegerust voor de eisen van de 21e eeuw: leveringszekerheid, schaalbaarheid, betaalbaarheid én veiligheid.

Dit paper betoogt dat vergroening geen doel op zichzelf is, maar een middel. Een middel dat valt onder het principe van veiligheid: veiligheid voor mens en planeet, omdat fossiele brandstoffen aantoonbaar schadelijk zijn voor klimaat en gezondheid. Door vergroening te scharen onder veiligheid – en veiligheid even zwaar te wegen als leveringszekerheid, schaal en betaalbaarheid – ontstaat een evenwichtig toetsingskader waarin verduurzaming niet langer concurreert met economische belangen maar er integraal deel van uitmaakt.

Op basis van deze analyse pleit dit paper voor decentrale energieopwekking, gecombineerd met digitale soevereiniteit in energiebeheer, als realistisch alternatief voor het achterhaalde centrale model. Het bepleit een fundamentele herwaardering van energie als eerste levensbehoefte in plaats van als belastingobject, en het recht van burgers en gemeenschappen om zelf energie op te wekken, op te slaan en onderling te delen.

1. Een eeuw wingewest: het historische patroon

De Groninger Veenkoloniën vormen een van de meest illustratieve casussen van regionale grondstofexploitatie in West-Europa. Het patroon herhaalt zich over drie perioden, telkens met dezelfde structuur: een regio levert de grondstof, het centrum int de opbrengsten, en de regio blijft achter met de schade.

1.1 De turfwinning (17e–20e eeuw)

De systematische afgraving van het Groningse veenlandschap was een van de eerste grootschalige energiewinningsoperaties in de Lage Landen. Het veengebied werd letterlijk afgegraven tot meters onder het oorspronkelijke maaiveld. De turf verwarmde steden in Holland en Friesland; de arbeiders in de Veenkoloniën leefden in plaggenhutten – primitieve woningen van graszoden – waar bittere armoede heerste.

De infrastructuur die voor de turfwinning werd aangelegd – kanalen als het Kieldiep, het Stadskanaal en het Musselkanaal – zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar als littekens in het landschap. Ze zijn symbolen van een extractiemodel waarbij de regio als leverancier fungeerde en het economisch centrum als begunstigde.

1.2 De gaswinning (1959–heden)

De ontdekking van het Slochterenveld in 1959 leidde tot de winning van een van de grootste aardgasvoorraden ter wereld. De totale opbrengst voor de Nederlandse staat wordt geschat op meer dan 400 miljard euro. De gaswinning bracht welvaart voor het hele land, maar voor Groningen bracht het aardbevingen, bodemdaling, scheuren in huizen, onveilige situaties en een jarenlang proces van ontkenning, vertraging en bureaucratische tegenwerking.

Het rapport van de parlementaire enquêtecommissie (2023) bevestigde wat Groningers al decennia zeiden: de veiligheid van bewoners werd stelselmatig ondergeschikt gemaakt aan de financiële belangen van de Staat en de NAM. De commissie concludeerde dat de overheid “bewust het risico op schade en onveiligheid heeft geaccepteerd ten gunste van de gasbaten.”

De schadehersteloperatie die volgde wordt gekenmerkt door wat critici omschrijven als een bureaucratisch waterhoofd: de Nationaal Coördinator Groningen groeide uit tot een organisatie met meer dan duizend medewerkers, terwijl bewoners jarenlang wachtten op herstel. Het patroon is herkenbaar: de kosten van het systeem dat de schade moet herstellen, dreigen de schade zelf te evenaren.

1.3 De derde golf: wind- en zonneparken

Na turf en gas is de derde golf van energiewinning in Groningen de grootschalige uitrol van windparken en zonneweides. Opnieuw wordt de regio ingezet als productielocatie voor energie die elders wordt verbruikt, en opnieuw draagt de lokale bevolking de lasten.

Het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, en het windpark N33 bij Meeden, zijn illustratief. In Meeden werden industriële windturbines van meer dan 200 meter hoog geplaatst direct tussen woonhuizen, na een proces waarin de minister democratische inspraak terzijde schoof door de windmolens via de Crisis- en herstelwet aan te wijzen. Het dorp raakte verscheurd: boeren die geld verdienden aan de molens op hun land werden door medebewoners de voetbalkantine uitgejaagd. Er werd asbest gestort op weilanden om machines te saboteren. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding sprak van “terrorisme uit Meeden” – een kwalificatie die de lokale bevolking als buitenproportioneel ervoer.

Het patroon is herkenbaar: de opbrengsten van de windparken vloeien naar projectontwikkelaars en investeerders, de subsidies komen uit de rijksbegroting, en de lokale bevolking zit met geluidsoverlast, slagschaduw, horizonvervuiling, dalende woningwaarden en sociale ontwrichting. De energieheffingen die alle huishoudens betalen – waaronder de Opslag Duurzame Energie (ODE) – financieren de subsidies voor deze projecten, wat de paradox versterkt: de regio betaalt mee aan de subsidie voor de windmolens die haar eigen leefomgeving aantasten.

1.4 Het achterhaalde systeem

De drie golven van energiewinning voltrekken zich binnen een systeem dat in zijn kern niet is veranderd sinds de vroege twintigste eeuw. De term “fossiel” is in dit verband niet alleen van toepassing op de brandstof, maar op het systeem zelf:

Centrale opwekking: energie wordt geproduceerd op een beperkt aantal locaties, ver van het verbruik.

Centraal bestuur: een klein aantal partijen – overheid, netbeheerders, grote energiebedrijven – bepaalt waar, hoe en tegen welke prijs energie wordt geleverd.

Centrale belastingheffing: de overheid gebruikt de energierekening als belastinginstrument, waardoor meer dan de helft van de huishoudelijke energieprijs uit heffingen bestaat.

Kwetsbaar transport: energie wordt via een uitgestrekt netwerk van kabels, leidingen en transformatorstations getransporteerd – een netwerk dat kwetsbaar is voor storingen, sabotage en overbelasting.

Dit systeem is niet ontworpen voor de uitdagingen van de 21e eeuw. Het is ontworpen voor een tijdperk van goedkope fossiele brandstoffen, stabiele geopolitiek en een passieve consument. In een wereld van geopolitieke instabiliteit, cyberdreiging, klimaatverandering en technologische decentralisatie is het een achterhaald model – een fossiel systeem, ongeacht of de brandstof erin fossiel is of niet.

2. Structurele analyse

2.1 Vergroening als middel, niet als doel

In het huidige beleidsdiscours wordt vergroening vaak gepresenteerd als een doel op zichzelf: CO2-reductiedoelen, hernieuwbare energiepercentages, uitfasering van fossiele brandstoffen. Dit leidt tot een scheefgetrokken debat waarin verduurzaming concurreert met betaalbaarheid en leveringszekerheid, alsof het om tegenstrijdige belangen gaat.

Een vruchtbaarder benadering is om vergroening te beschouwen als een middel dat valt onder het bredere principe van veiligheid. Fossiele brandstoffen zijn aantoonbaar schadelijk voor het klimaat en voor de menselijke gezondheid – via luchtvervuiling, fijnstof, en de gevolgen van klimaatverandering. Het verminderen van die schade is een veiligheidskwestie, vergelijkbaar met het stellen van eisen aan de veiligheid van voedsel, water of gebouwen.

Door veiligheid als vierde pijler naast de klassieke drie – leveringszekerheid, schaalbaarheid en betaalbaarheid – te plaatsen, ontstaat een evenwichtig toetsingskader voor energiebeleid:

Leveringszekerheid: de energie moet betrouwbaar beschikbaar zijn, ongeacht weer, seizoen of geopolitieke omstandigheden.

Schaal: het systeem moet voldoende capaciteit hebben om aan de vraag te voldoen, inclusief groei.

Betaalbaarheid: energie moet beschikbaar zijn tegen concurrerende tarieven, zonder dat de belastingdruk de effectieve prijs verdubbelt.

Veiligheid: het energiesysteem moet veilig zijn voor mens en planeet – wat betekent dat fossiele brandstoffen worden uitgefaseerd, niet omdat het een politiek doel is, maar omdat het een veiligheidsvereiste is.

In dit kader is vergroening geen luxe en geen ideologie, maar een rationele veiligheidsmaatregel die in balans moet staan met de andere drie pijlers. Een energiebron die groen is maar onbetaalbaar, is geen oplossing. Een energiebron die goedkoop is maar onbetrouwbaar, evenmin. Het toetsingskader dwingt tot integraal denken in plaats van het verabsoluteren van één dimensie. Realiteitscheck: er bestaat geen utopische vorm van energie die maximaal presteert op alle vier de pijlers, er is daarom altijd een mix van meerdere bronnen nodig voor de beste balans en de minste afhankelijkheid.

2.2 De regressiviteit van energieheffingen

Het Nederlandse energiebelastingstelsel is degressief van opzet: de eerste schijf van het verbruik wordt het zwaarst belast, waarna het tarief per eenheid daalt. Dit mechanisme is bedoeld om grootverbruikers internationaal concurrerend te houden, maar heeft een regressief bijeffect: huishoudens met een laag inkomen en een hoog verbruik – vaak in slecht geïsoleerde woningen – betalen relatief het meest.

De werkelijke belastingdruk op energie wordt doorgaans onderschat. Het veelgeciteerde cijfer dat “circa 52% van de energierekening uit belastingen bestaat” is gebaseerd op een berekening vanuit de brutoprijs: men neemt het totaalbedrag en berekent welk percentage daarvan uit heffingen bestaat. Maar dat vertekent het beeld. De eerlijke maatstaf is de netto energieprijs – wat de energie werkelijk kost aan productie en levering – en dan te berekenen hoeveel er bovenop komt aan belastingen. Vanuit dat perspectief zijn de heffingen geen 52% van de brutoprijs, maar meer dan 100% van de nettoproductieprijs. Met andere woorden: de overheid heft meer dan de energie zelf kost. De belastingcomponent is niet een deel van de prijs – het is de prijs zelf, verdubbeld. Met daarbovenop hoog tarief BTW, ook berekend over de energieheffingen, een stapeling van belastingen.

De compensatie via toeslagen (energietoeslag, huurtoeslag) adresseert het symptoom maar niet de oorzaak. Bovendien creëert het toeslagensysteem een rondpompcircuit: de overheid int belasting op energie, geeft een deel via toeslagen terug aan de huishoudens die het hardst worden geraakt, en houdt een deel in als uitvoeringskosten. De netto-opbrengst voor de burger is lager dan de bruto-inning; de transactiekosten van het systeem zijn aanzienlijk en niet transparant.

2.3 De impact op het bedrijfsleven en de brede welvaart

De hoge energietarieven treffen niet alleen huishoudens. Voor het bedrijfsleven – met name in de energie-intensieve industrie, het MKB en de agrarische sector – zijn de gevolgen minstens zo ingrijpend. Bedrijven die internationaal concurreren, opereren met marges die worden bepaald door wereldmarktprijzen. Wanneer de energiekosten structureel hoger liggen dan bij buitenlandse concurrenten, zijn er drie uitkomsten: het bedrijf verlaagt de loonkosten, het bedrijf vertrekt naar een land met lagere energietarieven, of het bedrijf gaat failliet.

Alle drie de scenario’s zijn in Nederland zichtbaar. De glastuinbouw – historisch een paradepaardje van de Nederlandse export – kampt met bedrijfsbeëindigingen als direct gevolg van gestegen energiekosten. Industriële bedrijven overwegen of realiseren verplaatsing naar landen met goedkopere energie. De chemische industrie, de staalindustrie en de aluminiumindustrie hebben publiekelijk gewaarschuwd dat de Nederlandse energietarieven hun concurrentiepositie ondermijnen. 

Vooralsnog lijken datacenters minder last te hebben van de hoge energietarieven, maar ook dat is schijn. Datacenters omzeilen publieke netten en daarmee heffingen, en draaien vaak op energiebronnen die met zware subsidies – initieel bedoeld voor huishoudens en MKB – zijn gefinancierd. De noodzaak voor meer datacenters (en dan met name in Nederlandse en Europese handen) is groot door de sterke toename van digitale diensten en AI, maar wordt afgeremd door energiebeleid met hoge energieprijzen, en dat remt de Nederlandse innovatiekracht en de onafhankelijkheid.

De combinatie van hoge energietarieven voor huishoudens én bedrijven heeft een cumulatief effect op de brede welvaart. Huishoudens hebben minder besteedbaar inkomen, waardoor de binnenlandse consumptie onder druk staat. Bedrijven hebben hogere kosten, waardoor ze minder investeren, minder werkgelegenheid creëren, minder innoveren, of vertrekken. De belastinginkomsten uit energieheffingen worden zo tenietgedaan door lagere inkomsten uit loon- en winstbelasting, en hogere uitgaven aan toeslagen en uitkeringen.

Het resultaat is een energiebeleid dat de Nederlandse economie structureel ondermijnt in plaats van versterkt. De ironie is dat dit deels wordt veroorzaakt door beleid dat bedoeld is om de energietransitie te financieren: de ODE-heffing, bedoeld om duurzame energie te subsidiëren, verhoogt de energierekening van de bedrijven die diezelfde transitie moeten uitvoeren. Het beleid bestraft wat het wil bevorderen.

2.4 Centrale opwekking als kwetsbaarheidsmodel

Het huidige energiesysteem is gebaseerd op gecentraliseerde opwekking en distributie via een uitgebreid netwerk van kabels, leidingen en transformatorstations. Dit model heeft voordelen in termen van schaalefficiëntie, maar introduceert structurele kwetsbaarheden.

De geopolitieke realiteit van de jaren 2020 heeft deze kwetsbaarheden blootgelegd. De afhankelijkheid van Russisch gas werd in 2022 abrupt zichtbaar. De kwetsbaarheid van onderzeese kabels en pijpleidingen voor sabotage – zoals de aanval op de Nord Stream-pijpleidingen – demonstreerde dat gecentraliseerde infrastructuur een strategisch doelwit is. Incidenten met onderzeese kabels in de Oostzee in 2023 en 2024 onderstreepten dit risico verder.

Een decentraal systeem, waarin opwekking dicht bij het verbruik plaatsvindt, reduceert deze kwetsbaarheid. Als één bron of één verbinding uitvalt, functioneert de rest van het systeem door. Dit is niet alleen een energetisch argument maar een argument van nationale veiligheid.

Daarnaast ontstaan zowel een woonprobleem als een economisch en een maatschappelijk probleem. Energiebeleid promoot elektrische auto’s en warmtepompen, en tegelijkertijd opwekking van energie met wind en zon. Hierdoor raakt het net overbelast en ontstaat een grote disbalans tussen vraag en aanbod. Dit maakt de energiemarkt onvoorspelbaar en volatiel, met hoge tarieven en soms negatieve tarieven. Ook beperkt het momenteel het bouwen van nieuwe wijken, omdat er geen stroomaansluiting mogelijk is. En het beperkt bedrijven, scholen, en bijvoorbeeld ziekenhuizen in uitbreidingen. Dit alles is de rem op de samenleving en de economie.

2.5 De verborgen koppeling: energie en voedselproductie

Een onderbelicht aspect van het energiedebat is de directe koppeling tussen energie en voedselproductie. Kunstmest – de basis van de moderne landbouw – wordt geproduceerd via het Haber-Boschproces, dat aardgas als grondstof gebruikt. Zonder fossiele energie is er geen kunstmest; zonder kunstmest is de huidige voedselproductie op het huidige niveau niet haalbaar.

Dit creëert een dilemma in het duurzaamheidsdebat: het afbouwen van fossiele energie zonder gelijktijdige oplossing voor de kunstmestproductie heeft directe gevolgen voor de voedselzekerheid. Het alternatief – biomest uit de veehouderij – vereist het in stand houden van veeteelt, wat op gespannen voet staat met een deel van de duurzaamheidsagenda. Dit spanningsveld wordt in beleidsdiscussies zelden expliciet geadresseerd.

3. Decentrale energieopwekking als alternatief

3.1 Het principe

Decentrale energieopwekking houdt in dat energie wordt geproduceerd op of nabij de locatie van verbruik, door individuele huishoudens, bedrijven of gemeenschappen. Technologisch is dit al haalbaar via zonnepanelen, kleine windturbines, warmtepompen, en – op termijn – kleine modulaire kernreactoren (SMR’s). De kerngedachte is dat de gebruiker ook producent wordt, en dat overschotten lokaal worden gedeeld in plaats van centraal teruggevoerd.

3.2 De economische case

De economische voordelen van decentrale opwekking zijn meervoudig:

Eliminatie van de belastingwig. Zelfopgewekte duurzame energie die lokaal wordt verbruikt, zou in een hervormd stelsel niet of nauwelijks belast hoeven te worden. Dit alleen al kan de effectieve energiekosten voor huishoudens en MKB meer dan halveren.

Wegvallen van transport- en distributiekosten. Een aanzienlijk deel van de energieprijs bestaat uit netbeheerkosten. Bij lokale opwekking en lokaal verbruik vervalt dit.

Lokale economische multiplier. Het geld dat huishoudens besparen op hun energierekening, wordt besteed in de lokale economie. Bovendien worden installatie, onderhoud en beheer van decentrale systemen lokale werkgelegenheid.

Aantrekkingskracht voor bedrijven. Regio’s met structureel lage energiekosten trekken energie-intensieve bedrijvigheid aan, wat de regionale economie versterkt.

3.3 De rol van kernenergie

Zon- en windenergie zijn belangrijke pijlers van de energietransitie, maar kennen inherente beperkingen in leveringszekerheid: ze zijn weersafhankelijk en seizoensgebonden. Voor een betrouwbare basislast is een continue, weersonafhankelijke bron nodig.

Kleine modulaire reactoren (SMR’s) bieden hiervoor een perspectief. Deze reactoren – met een vermogen van 50 tot 300 MW – zijn ontworpen voor decentrale inzet, hebben een kleinere footprint dan conventionele kerncentrales, en kunnen in serie worden geproduceerd. Landen als Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten investeren substantieel in SMR-technologie. De Nederlandse overheid heeft in 2024 de eerste stappen gezet richting vergunningverlening.

De combinatie van decentrale hernieuwbare energie voor de variabele component en SMR’s voor de basislast biedt een energiesysteem dat zowel groen als betrouwbaar is, zonder afhankelijkheid van fossiele brandstoffen of buitenlandse gasleveranciers.

4. Digitale soevereiniteit als voorwaarde

Decentrale energieopwekking vereist decentraal energiebeheer. Slimme meters, energiemanagementsystemen en peer-to-peer energiehandel draaien op digitale infrastructuur. De vraag wie die infrastructuur beheert en controleert, is daarmee een energievraag geworden.

4.1 De afhankelijkheid van commerciële platformen

Het huidige energiesysteem is in toenemende mate afhankelijk van commerciële digitale platformen voor communicatie, monitoring en aansturing. Satellietcommunicatie (Starlink), cloudinfrastructuur (AWS, Azure, Google Cloud) en IoT-platformen zijn allemaal in handen van een beperkt aantal commerciële partijen, overwegend niet-Europees.

De geopolitieke risico’s hiervan zijn recentelijk concreet geworden. De discussie over de betrouwbaarheid van Starlink als communicatie-infrastructuur in conflictgebieden – waarbij één commerciële partij de facto bepaalt wie wel en niet kan communiceren – illustreert het risico van digitale afhankelijkheid in kritieke infrastructuur.

4.2 Lokale digitale infrastructuur

Een werkelijk decentraal energiesysteem vereist dat ook de digitale laag decentraal en soeverein is. Dit betekent:

Lokale communicatie-infrastructuur die niet afhankelijk is van één commerciële aanbieder. Mesh-netwerken, lokale glasvezelnetwerken en backup-communicatie via radio zijn voorbeelden.

Open standaarden en protocollen voor energiebeheer, zodat er geen vendor lock-in ontstaat en gemeenschappen zelf hun systemen kunnen beheren.

Datasoevereiniteit: energieverbruiksdata van huishoudens en gemeenschappen blijft lokaal en wordt niet gecentraliseerd bij commerciële partijen of overheden.

Het principe is analoog aan het energieprincipe zelf: wie zijn communicatie en data in handen geeft van een externe partij, is net zo kwetsbaar als wie zijn energie in handen geeft van een externe partij.

5. Beleidsaanbevelingen

Op basis van de bovenstaande analyse worden de volgende beleidsrichtingen voorgesteld:

Aanbeveling 1: Erken energie als eerste levensbehoefte

Herclassificeer huishoudelijke energie als eerste levensbehoefte, vergelijkbaar met drinkwater. Verlaag de belastingdruk op het basisverbruik van huishoudens substantieel, en compenseer de gederfde inkomsten via de algemene middelen in plaats van via een rondpompcircuit van heffingen en toeslagen.

Aanbeveling 2: Faciliteer decentrale opwekking en lokale energiedeling

Creëer een wettelijk kader waarbinnen burgers en energiegemeenschappen zelf energie mogen opwekken, opslaan en onderling delen, zonder dat elke transactie wordt belast. De salderingsregeling is een eerste stap, maar onvoldoende: er is een volwaardig juridisch en fiscaal kader nodig voor lokale energiemarkten.

Aanbeveling 3: Investeer in SMR-technologie

Versnel de vergunningverlening en kennisontwikkeling rondom kleine modulaire reactoren. Wijs pilotlocaties aan in regio’s die historisch getroffen zijn door energiewinning – zoals Groningen – en geef deze regio’s voorrang bij de uitrol. Dit combineert energietransitie met regionaal herstel.

Aanbeveling 4: Waarborg digitale soevereiniteit in energiebeheer

Stel eisen aan de digitale infrastructuur van het energiesysteem: open standaarden, lokale dataopslag, en onafhankelijkheid van niet-Europese commerciële platformen voor kritieke besturingsfuncties. De energietransitie mag niet resulteren in een nieuwe afhankelijkheid – ditmaal digitaal.

Aanbeveling 5: Doorbreek het wingewestpatroon

Geef regio’s die historisch zijn uitgebuit als energieleverancier – de Groninger Veenkoloniën, de gaswinningsgebieden – structureel voorrang bij de energietransitie. Dit is geen liefdadigheid maar rechtvaardigheid: deze regio’s hebben de welvaart van het land mede mogelijk gemaakt en verdienen als eerste de vruchten van het nieuwe energiesysteem.

6. Conclusie

Het Nederlandse energiebeleid kent een historisch patroon van regionale extractie dat zich inmiddels in drie golven heeft gemanifesteerd: turfwinning, gaswinning, en de huidige uitrol van grootschalige wind- en zonneparken. De structuur is telkens dezelfde: de regio levert de productielocatie en draagt de lasten, terwijl de opbrengsten elders terechtkomen. Dit patroon voltrekt zich binnen een energiesysteem dat structureel verouderd is – fossiel niet in de zin van de brandstof, maar in de zin van het model: centraal opgewekt, centraal bestuurd, centraal belast en via een kwetsbaar net getransporteerd.

Decentrale energieopwekking biedt een realistisch alternatief dat dit achterhaalde model doorbreekt. Het maakt regio’s en gemeenschappen eigenaar van hun eigen energievoorziening, reduceert kosten, vergroot de weerbaarheid, en vermindert de afhankelijkheid van gecentraliseerde – en daarmee kwetsbare – infrastructuur.

Het toetsingskader voor dit nieuwe model kent vier gelijkwaardige pijlers: leveringszekerheid, schaal, betaalbaarheid en veiligheid. Vergroening is binnen dit kader geen politiek doel maar een rationele veiligheidsmaatregel – in balans met de andere drie pijlers. Dit voorkomt zowel het verabsoluteren van duurzaamheid ten koste van betaalbaarheid, als het negeren van klimaat- en gezondheidsrisico’s ten gunste van economische belangen op de korte termijn.

De technologie is beschikbaar of in ontwikkeling. De economische case is sterk. Het ontbreekt aan politieke wil om het belastingstelsel op energie fundamenteel te hervormen en aan een wettelijk kader dat lokale energiegemeenschappen faciliteert in plaats van belemmert.

De vraag is niet of de energietransitie komt, maar wie ervan profiteert – en of het nieuwe systeem werkelijk nieuw is, of slechts het oude, fossiele model met een groene verflaag. Als het huidige patroon zich voortzet, worden de regio’s die al meer dan een eeuw de grondstof en de productielocatie leveren opnieuw de verliezers. De geschiedenis van Groningen is het bewijs dat dit geen hypothetisch risico is, maar een patroon dat zich nu voor de derde keer herhaalt.

Het doorbreken van dat patroon begint bij twee erkenningen. Ten eerste: energie is een eerste levensbehoefte, geen melkkoe. Ten tweede: het systeem zelf is het probleem – niet alleen de brandstof erin. Pas als beide erkenningen doordringen in het beleid, is werkelijke verandering mogelijk.

Deze notitie is gemaakt aan de hand van de inzichten in het populaire boek Smultatuli. Ogenschijnlijk een satirische cyberthriller, maar in wezen een een aanklacht tegen energiebeleid, en een pamflet voor nieuwe energie. Het boek is 2x uitverkocht en nu gratis te downloaden op www.smultatuli.com