Door staatsrechtgeleerde Driekus Vierkant.
InĀ StemveeĀ schreef ik over wat er gebeurt zodra een statenlid eenmaal op het pluche zit: de onzichtbare hand van partijtop, fractie en coalitie die het grondrechtelijke vrije mandaat fijnknijpt tot kadaverdiscipline. Met alle gevolgen voor het vertrouwen in democratie, maar nog erger, concrete vermorzeling van burgers, bedrijven en boeren.
Maar dat verhaal begint eerder, veel eerder. Het begint bij de vraag wie er überhaupt op die stoel plaatsneemt. En daar, in het fokprogramma van politieke partijen, wordt het probleem al geboren.
Een politieke partij selecteert kandidaten via scoutingcommissies, weegt ze in selectiecommissies, en zet ze op een lijst. Die lijst bepaalt vervolgens wie er namens “de kiezer” in de Staten, de Raad of de Kamer komt te zitten. De kiezer kiest niet wie er gekozen wordt. De partij doet dat. De kiezer kan kiezen tussen partijen en een voorkeursstem uitbrengen die in negen van de tien gevallen niet veel verandert.
Dat zou geen probleem zijn als partijen zochten naar wat Thorbecke voor ogen had: zelfstandig wegende, deskundige, integere mensen met een rechte rug. Maar dat doen ze niet, dat kunnen ze ook niet. Want een partij die selecteert op zelfstandigheid maakt het zichzelf alleen maar lastig in coalitievorming. Een fractie functioneert pas als de leden meedoen. Een coalitie functioneert pas als de fracties meedoen. En in die ketting is een onafhankelijk en zelfdenkend statenlid met karakter een storingsbron in plaats van een aanwinst.
Het stelsel selecteert dus structureel, precies op de eigenschap die het vrije mandaat onmogelijk maakt: gehoorzaamheid. En het selecteert weg, structureel en met dezelfde regelmaat, precies op de eigenschap die het vrije mandaat veronderstelt: onafhankelijkheid van geest.
Hoe het in een gezond bedrijf gaat
Vergelijk dat eens met hoe het er in het bedrijfsleven aan toegaat. Ja, ondernemers selecteren ook op loyaliteit. Een nieuwe CEO neemt vaak een nieuwe managementlaag mee. Niets menselijks is hen vreemd. Maar de echt succesvolle ondernemers, de mensen die bedrijven bouwen die jaren standhouden, doen iets fundamenteel anders dan de selectiecommissie van een politieke partij. Zij selecteren mensen die slimmer zijn dan zijzelf. Mensen die hen durven tegen te spreken. Mensen die in een vergadering de baas afkappen met “nee, dit klopt niet, en hier is waarom.”
Waarom doen ze dat? Omdat het eigenbelang en het bedrijfsbelang in dat geval samenvallen. Als het bedrijf faalt, faalt de CEO. Als het bedrijf groeit, groeit de CEO. Een jaknikker die de baas naar de mond praat, is op de korte termijn misschien comfortabel maar op de lange termijn een ramp in wording. En dat begrijpen goede ondernemers.
Het resultaat is een werkwijze die in het bedrijfsleven dominant is en in de politiek vrijwel afwezig: doelgericht werken. Wat is de opdracht? Halen we het? Wat moet er anders? Wie zegt iets nuttigs over hoe het beter kan? Dagen we de waarheid zoals we die dachten te kennen voldoende uit? In een goed bedrijf is de tegenspreker soms de waardevolste medewerker, de meeloper zeker niet.
In politiek en ambtenarij werkt het andersom. Daar wordt op relatie gewerkt, minder op resultaat. Wie staat goed met wie. Wie ligt lekker bij de fractievoorzitter. Wie heeft de juiste lijntjes naar de wethouder. Het doel (de burger faciliteren) raakt dan buiten beeld. En in het ergste geval wordt het omgedraaid: niet de burger wordt gefaciliteerd, de burger wordt gestuurd. Geparticipeerd. Geconsulteerd. Bijgestuurd richting de uitkomst die al vaststond. Dat is geen democratie meer.
De vraag is waarom dit verschil zo groot is. In het bedrijfsleven bestaat de tucht van de markt. Een directeur die meelopers selecteert, gaat failliet. In de politiek bestaat die tucht niet. Een partij die meelopers selecteert wint nog steeds zetels, krijgt nog steeds subsidie, levert nog steeds wethouders. De politici vinden elders een functie en betalen niet de schade. De kosten van slecht selecteren worden afgewenteld op de burger, op een boer in Lucaswolde, op het dorp dat een windpark voor de neus krijgt. Niet op de partij zelf. En dus blijft de partij doen wat ze altijd al deed.
Doorgefokt stemvee
Daar komt nog iets bij waar zelden eerlijk over wordt gesproken. Het lokaal en provinciaal bestuur trekt steeds minder talent aan. De vergoeding voor een statenlid is een fractie van wat dezelfde persoon in het bedrijfsleven, de zorg, het onderwijs of de advocatuur zou verdienen. De werkdruk is hoog. De polarisatie scherp. De bedreigingen zijn heftig en toegenomen. Wie kinderen heeft, een hypotheek, een gezond gevoel voor zelfbehoud, kiest er niet meer vanzelfsprekend voor.
Wat overblijft is een mix van zeer gemotiveerde idealisten (waardevol, maar zeldzaam), beroepspolitici die de politieke ladder beklimmen, en laten we eerlijk zijn, mensen die elders moeilijker aan de bak komen. Dat is geen vriendelijke observatie. Het is wel wat oud-burgemeesters, oud-gedeputeerden en oud-Kamerleden in informele kring zeggen zodra de microfoon uit staat.
Wie eens een willekeurige statenvergadering bijwoont, hoort wat dat in de praktijk betekent. Mensen die hun eigen amendementen niet goed kunnen toelichten. Die de juridische grondslag of de neveneffecten van hun eigen besluit niet doorgronden. Die rekenkamerrapporten niet hebben gelezen. Die hun stemverklaring oplezen van een briefje waarvan iedereen weet dat de fractievoorzitter het heeft geschreven. En over die mensen heen worden besluiten genomen die boerderijen onteigenen, dorpen veranderen, levens beĆÆnvloeden.
Backbenchers en scherpslijpers
In een gezond stelsel zou een backbencher een dossierspecialist zijn. Een kritische tegenkracht binnen de eigen fractie. In de praktijk is hij gereduceerd tot stemknopindrukker. Vier jaar lang loyaal zwijgen, en dan misschien als de partijtop dat goeddunkt een mooie functie als beloning. Het effect is wreed: het zelfstandig denken atrofieert.
Tegelijk ontstaat aan de andere kant ruimte voor mensen die juist omdat ze radicaal zijn opvallen en stemmen trekken. Die kijken niet naar algemeen belang. Die kijken naar hun eigen profiel en hun eigen plek in het volgende peilingmoment. Die alleen maar moties indienen omdat ze er op social media mee denken te kunnen scoren. Daar zit de bittere paradox: het stelsel produceert tegelijk te veel meelopers Ʃn te veel scherpslijpers, en te weinig van het type dat Thorbecke voor ogen had.
De vicieuze cirkel
Degenen die het stelsel zouden moeten hervormen, partijbesturen, fractievoorzitters, gedeputeerden en Kamerleden, danken hun positie aan het stelsel zoals het is. Een fractievoorzitter die zegt “we moeten af van fractiediscipline” zaagt aan de tak waarop hij zit.
Het stelsel beschermt zichzelf. Niet door een of andere vage WEF samenzwering, maar door de eenvoudige logica van zelfbehoud. Wie er voordeel bij heeft, blijft. Wie er nadeel van zou ondervinden bij hervorming, blokkeert die hervorming. En dus draait het rad door. Selectie op loyaliteit, kadaverdiscipline op het pluche, beslissingen in achterkamertjes, burgers tegen de muur.
Je kunt geen vrij mandaat hebben zonder volksvertegenwoordigers die het vrije mandaat aankunnen. En je krijgt zulke volksvertegenwoordigers niet als het systeem ze structureel wegfiltert vóórdat de kiezer überhaupt iets te kiezen heeft.
Wat dan wel
Partijen moeten leren selecteren zoals goede ondernemers selecteren. Niet op de jaknikker die het comfortabelst is, maar op de tegenspreker die het bedrijf (in dit geval: de democratie) beter maakt. Dat betekent scoutingcommissies die mensen voordragen die “lastig” kunnen zijn. Selectiecommissies die de plooibare kandidaat lager zetten dan de eigenzinnige. Lijstvolgordes waarin afwijkers verkiesbaar staan, niet verbannen naar een backbench plek.
Afwijkend stemgedrag moet actief gewaardeerd worden. Een fractievoorzitter die kan zeggen “drie van mijn leden stemden tegen, en ik vind dat goed voor de democratie” toont kwaliteit en karakter. Dat gebeurt vrijwel nooit, maar het zou de regel moeten zijn.
De vergoedingen voor raads- en statenleden moeten omhoog. Het huidige niveau filtert iedereen met kunde er effectief uit. Wie serieuze volksvertegenwoordigers wil, moet serieus betalen.
Hoofdelijke stemmingen moeten de regel worden. Bij elk besluit moet zichtbaar zijn wie wat heeft gestemd, en elk statenlid moet persoonlijk verantwoorden waarom. Niet “omdat de fractie zo besloot.” Maar omdat hij of zij na eigen afweging tot die conclusie kwam. Daartoe heeft hij de eed afgelegd.
En het werk moet doelgericht worden in plaats van relatiegericht. Wat is de opdracht? De burger faciliteren. Halen we dat? Wat moet er anders? Wie zegt er iets nuttigs over hoe het beter kan? Dat zijn de vragen waarop een volksvertegenwoordiger zou moeten worden afgerekend. Niet of hij goed in de groep ligt.
Tot slot
Stemvee ontstaat niet vanzelf. Het wordt gefokt. Doelbewust, generatie na generatie, in de selectiestallen van politieke partijen die liever een gehoorzame meerderheid hebben dan een eigenzinnige minderheid. Het verschil met het bedrijfsleven is pijnlijk: een ondernemer die zo selecteert gaat failliet. Een partij die zo selecteert wint zetels. De rekening wordt elders neergelegd. Bij de boer in Lucaswolde, de burger met de petitie die niemand leest, de slachtoffers van de toeslagenaffaire, de Groningers door het gasdossier.
De grondwet zegt iets anders. De eed belooft iets anders. Maar de werkelijkheid in de fractiekamer is dat het vrije mandaat is verkocht voordat het is uitgereikt. Tijd om die stallen open te gooien. Tijd voor partijbesturen om eens in de spiegel te kijken. Tijd voor kiezers om te eisen dat de mensen op de lijst er staan om burgers te vertegenwoordigen, niet om partijen te dienen.
Want anders blijven we wat we nu zijn: een democratie waarin het volk om de paar jaar mag kiezen wie er voor hen mag zwijgen in plaats van af en toe loeien en bokken.




Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.