Schenk- en erfbelasting: niet sociaal en niet eerlijk.

Wie elk jaar het maximum aan zijn kind schenkt, zet in achttien jaar meer dan een ton opzij. Vrij van schenkbelasting. Niet vrij van belasting, want zolang het kind minderjarig is telt dat vermogen mee in box 3 bij de ouders, en daar wordt jaarlijks belasting over geheven. 

Wat je bij leven niet vrij mag geven wordt bij overlijden alsnog afgeroomd via erfbelasting, en in beide gevallen is over dat vermogen al belasting betaald. Wat overblijft is geld dat nu klaarligt voor een studie, een eerste huis of een eigen bedrijf. 

‘Dat is niet eerlijk’, zegt men, ‘dat het ene kind met een ton begint en het andere met niets. Een kind kiest zijn ouders niet.’

Dat klopt allebei. Het is ook niet eerlijk, en niemand kiest zijn ouders. Maar de ouders die niets nalaten zijn geen enkele groep. Sommigen hebben pech, weinig, of een leven dat tegenzat. Anderen zijn spaarzaam. En weer anderen maken keuzes waardoor er weinig wordt verdiend of weinig overblijft. Waarom zouden de kinderen van de tweede groep opdraaien voor de keuzes van de derde? Er bestaat ook nog zoiets als eigen verantwoordelijkheid: kansen nemen, en doorgeven aan je kinderen. Je kan de een niet laten betalen voor de keuzes van de ander. Met die eerste groep zijn we in Nederland zeer solidair, en terecht. Daar hebben we een vangnet voor, en gelijke kansen die niet afhangen van je afkomst.

Maar bovenal gaat eerlijkheid niet over de verdienste van de ontvanger, ze gaat over de behandeling van de gever. En er is nog een denkfout: eerlijk en sociaal zijn helemaal niet hetzelfde. En sociaal is deze belasting evenmin.

Eerlijk gaat over de regels. Sociaal gaat over de uitkomst.

Eerlijk is: voor iedereen dezelfde regels, dezelfde toegang, dezelfde behandeling. Wat je verdient is van jou. Eerlijkheid is blind voor de uitkomst. 

Sociaal is het omgekeerde: juist wél ongelijk behandelen. Bijdragen naar draagkracht, ontvangen naar behoefte. De ene burger betaalt vijf keer zoveel als de andere voor dezelfde brandweer, hetzelfde onderwijs, dezelfde rechtsstaat.

Eerlijk zegt: gelijke regels, ongelijke uitkomst. Sociaal zegt: ongelijke regels, minder ongelijke uitkomst. Ze zijn elkaars spiegelbeeld.

Een progressief tarief is per definitie niet eerlijk. Eerlijk is dat ouders met een laag inkomen of weinig kapitaal evenveel belasting betalen als ouders met een hoog inkomen of kapitaal. Nederland nivelleert op grote schaal en doet dat in de basis uitstekend: toeslagen, heffingskortingen, onderwijs dat niet afhangt van waar je woont, zorg die niet afhangt van hoeveel geld je hebt. 

We behoren tot de meest genivelleerde landen ter wereld en we staan bovenaan de lijstjes voor kansengelijkheid. Een land dat alleen maar eerlijk is, is een hard land. Een land dat alleen maar sociaal is, is een oneerlijk land. Nivellering tot op zekere hoogte is beschaving en ik betaal er graag aan mee, ook als het mij geld kost. Dat is namelijk het hele idee.

Maar noem het dan wel bij de naam. Wie zwaardere schenk- en erfbelasting bepleit, doet een sociaal voorstel, geen eerlijk voorstel. Hij vraagt om ongelijke behandeling van gelijke gevallen, met een reden. Die reden mag hij geven en daar valt over te praten. Wat hij niet mag doen, is het woord “eerlijk” lenen om de vraag te ontlopen die bij elk sociaal voorstel hoort: wie krijgt dit geld, en wat is er dan beter geworden?

Want als je “eerlijk” en “sociaal” op één hoop gooit, dan volgt daaruit vanzelf dat élk verschil in uitkomst een onrecht is dat gerepareerd moet worden. En dan schuift de discussie ongemerkt op van gelijke kansen naar gelijke uitkomsten. Dat is een andere discussie. Voer hem dan ook als zodanig, wees eerlijk. Oftewel: erfbelasting is in elk geval niet eerlijk, hooguit sociaal.

Hoe sociaal zijn schenk- en erfbelasting eigenlijk? 

Wat gebeurt er met dat geld? Het gaat naar de algemene middelen. De opbrengst verdwijnt in de begroting van dit jaar, terwijl het geld waar het vandaan komt was bedoeld voor twintig jaar vooruit. Het gaat niet naar een startkapitaal voor het kind dat het niet van huis uit meekrijgt. Zo’n voorziening bestaat niet en wordt ook niet voorgesteld.  

En het geld verdwijnt lang niet allemaal in herverdeling. Een groot deel van wat de staat int, bereikt nooit een burger die het nodig heeft. Het blijft onderweg hangen. In overhead, uitvoeringsorganisaties, beleidsdirecties, externe inhuur, in toezicht op het toezicht, in ICT-projecten die stranden, in inefficiëntie in zorg en onderwijs. En dan is er nog het deel dat gewoon niets met herverdeling te maken heeft en dat toch uit dezelfde pot komt: prestigeprojecten, miljardenfondsen, subsidiestromen die vooral hun eigen bestaan in stand houden.

Solidariteit is geen eenrichtingsverkeer. Wie de belastingbetaler om solidariteit vraagt, is zelf ook iets verschuldigd: zorgvuldigheid met wat hij afneemt. Een overheid die zichzelf niet in het vlees durft te snijden, maar wel bij de spaarrekening of erfenis van een kind aanklopt, vraagt om een offer dat ze zelf niet brengt. Dat is niet sociaal. En niet eerlijk. Dat is een gat in de hand, valselijk gepresenteerd als moraal.

Korte termijn versus lange termijn in plaats van rijk versus arm

Elke euro die niet efficiënt wordt besteed, is niet alleen verspild. Hij wordt ook nog eens onttrokken aan de enige plek waar hij wél twintig jaar had kunnen renderen: bij een kind, in een studie, in een eerste huis, in een bedrijf dat er nog niet is. Verspilling van vandaag betaalt zich niet uit in morgen maar wordt afgeschreven op de toekomst van iemand anders.

Dat is het echte verschil, en het gaat dus helemaal niet tussen arm en rijk. Het gaat tussen korte termijn en lange termijn. Een ouder die achttien jaar lang geld opzij legt, doet een investering met een horizon van decennia. Een overheid die dat geld afroomt om het gat van dit begrotingsjaar te dichten, doet het tegenovergestelde. Wie herverdeling wil, moet uitleggen wat er aan de andere kant tegenover staat. Zonder dat antwoord is het geen herverdeling, het is kassa.

Conclusie: het bezwaar tegen schenkende ouders wordt gepresenteerd als een pleidooi voor gelijke kansen, maar dat is een vals argument. Nederland biedt al gelijke kansen, en betaalt dit uit belastinggeld. Wat hier gebeurt is iets anders: een lange termijn investering wordt omgezet in korte termijn dekking, en het woord “eerlijk” wordt erbij gehaald om dat te verkopen. Precies het woord dat niet van toepassing is.

Wie hogere schenk- en erfbelastingen verdedigt met het argument kansengelijkheid, moet drie vragen kunnen beantwoorden:

  1. Welk kind krijgt hier iets, en hoeveel? 
  2. Waarom snijdt u eerst in de toekomst van mijn kind, en niet eerst in uzelf?
  3. Waarom is draagkracht een relevant verschil voor progressieve heffingen, en bestemming niet? En wie bepaalt dat, behalve u?