Iedereen even slim. Een solidair experiment.

Een gerandomiseerd veldexperiment naar de houdbaarheid van solidaire cijfertoekenning in het hoger sociaal onderwijs

Auteur: breedleraar D. Driekus, Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen Status: intern verslag, afgewezen door de examencommissie, daarom hier gepubliceerd 


Samenvatting

Op de sociale opleiding aan de RUG, waar solidariteit in elke collegezaal wordt gepredikt, is onderzocht wat er gebeurt als je die solidariteit echt toepast, namelijk op het enige bezit dat een student werkelijk heeft: zijn cijfer.

In een cohort van 30 studenten (n=30) werden alle cijfers boven de 6 uit solidariteit afgeroomd tot een 6, en alle cijfers onder de 6 met de vrijgekomen punten aangevuld tot een 6.

Bij de eerste meting (T1) leidde dit tot 30 voldoendes en een staande ovatie. Bij de tweede meting (T2), tien weken later, leidde dit tot 0 voldoendes, twee uitschrijvingen en een klacht bij de vertrouwenspersoon.

De pot met herverdeelbare punten bleek na één ronde leeg. Het experiment bevestigt wat de faculteit in haar eigen literatuur beschrijft, maar in haar eigen politiek ontkent: gelijkheid van uitkomst is een eenmalige transactie met een structureel effect.

1. Inleiding

Het idee kwam uit een werkgroep. Een student betoogde dat cijfers “een neoliberaal ranking-instrument” zijn en dat solidariteit vereist dat sterke schouders de zwakke dragen. Zesentwintig medestudenten knikten. Onderzoeksvraag: hoe lang houdt solidaire cijfertoekenning stand als je deze niet bepleit maar ook werkelijk uitvoert?

2. Methode

2.1 Steekproef. Eén verplicht tweedejaarsvak, 30 studenten, twee tentamens (T1 en T2) met tien weken tussentijd. Deelname verplicht, zoals dat hoort bij solidariteit.

2.2 Interventie. Na het nakijken van T1 werd het volgende algoritme toegepast:

  • Cijfer > 6: afgeroomd tot 6. De overtollige punten gaan naar de solidariteitspot.
  • Cijfer < 6: aangevuld uit de pot tot 6.
  • Cijfer = 6: ongemoeid. Deze groep noemen we de zesjescultuur, en zij noemt zichzelf de middenklasse.

2.3 Indeling in groepen. Op basis van T1 zijn vier groepen onderscheiden:

GroepKenmerkT1 cijfern
A: de tienenhoogbegaafd, weinig moeite9-103
B: de blokkersveel moeite, veel resultaat7,5-8,58
C: de zesjesweinig moeite, net genoeg5,5-712
D: de onvoldoendesweinig moeite, te weinig resultaat2-57

2.4 Meetinstrumenten. Tentamencijfers, aanwezigheidsregistratie, en de wandelgang. Vooral de wandelgang.

3. Resultaten T1

Na herverdeling: 30 studenten, 30 zessen. Slagingspercentage 100%. Gemiddeld cijfer 6,0. Standaarddeviatie 0,0. Een statisticus zou spreken van een perfect resultaat. De collegezaal ook: spontaan applaus, dertig van de dertig. Groep D het hardst, groep A het minst hard, maar ook groep A klapte zachtjes mee want sociale druk is in deze faculteit een betrouwbaardere voorspeller van gedrag dan eigenbelang.

4. Resultaten T2

4.1 Groep A, de tienen (n=3). Twee van de drie zaten bij T2 niet meer in de zaal. Eén was overgestapt naar economie, “waar ze tenminste eerlijk zijn over wat ze doen”. De ander was vertrokken naar Utrecht. De derde bleef en scoorde exact 6,0. Ik heb haar tentamen bekeken: ze had de laatste twee vragen leeg gelaten en er een berekening bij geschreven. Ze wist precies waar de 6 lag. Uitval groep A: 67%. Herverdeelbare punten uit groep A: nul.

4.2 Groep B, de blokkers (n=8). Geen uitval, wel gedragsverandering. Gemiddeld T1: 8,1. Gemiddeld T2: 6,3. Zelfgerapporteerde studietijd daalde van 14 naar 6 uur per week. Een respondent verwoordde de rationele kern: “Ik ben niet dommer geworden, ik ben slimmer geworden. Waarom zou ik harder studeren als dat niets extra’s oplevert?” De respondent heeft gelijk over het tweede, en ongelijk over het eerste. Dat merkt ze pas over drie jaar bij een sollicitatiegesprek. Herverdeelbare punten uit groep B: 2,4 in totaal, waar dat bij T1 nog 16,8 was.

4.3 Groep C, de zesjes (n=12). De enthousiaste kern van het applaus bij T1. Bij T2 het grootste slachtoffer. Gemiddeld T1: 6,2. Gemiddeld T2: 5,1. Dit was niet voorzien, ook niet door groep C zelf. Verklaring: hun 6 bleek nooit een zelfstandige prestatie. Ze werd gehaald in werkgroepen waar groep A de vragen voorkauwde en groep B de samenvattingen rondstuurde. Zonder A en zonder een gemotiveerde B zakte het niveau van de werkgroepen, zakte de kwaliteit van de samenvattingen naar het niveau van de nieuwe schrijvers, en zakte de 6 naar een 5. De middenklasse leefde op de intelligentie en inzet van de bovenklasse en ontdekte dat pas toen dat wegviel.

4.4 Groep D, de onvoldoendes (n=7). Bij T1 de grootste winnaars en de hardste klappers: diploma gegarandeerd, ongeacht bagage of inzet. Bij T2 ongewijzigd gedrag, ongewijzigd resultaat: gemiddeld 4,0. Het verschil: er was niets meer om mee aan te vullen. De pot bevatte 2,4 punt voor zeven studenten met een gezamenlijk tekort van 14 punten. Groep D diende de klacht bij de vertrouwenspersoon in. Niet tegen het systeem, maar tegen groep A, wegens “gebrek aan solidariteit”.

4.5 Totaal. Zie tabel.

T1 vóór herverdelingT1 ná herverdelingT2 ná herverdeling
Aanwezig303028
Gemiddelde6,36,05,3
Voldoendes19300
Punten in de pot21,602,4

Nul voldoendes. Niemand door. Iedereen even dom.

5. Discussie

Het experiment wilde cijfers herverdelen. Het heeft in werkelijkheid, in deze volgorde, talent, inzet en tot slot de illusie van zelfstandigheid weggenomen.

De volgorde is de bevinding. Eerst vertrekt wie het meest te verliezen heeft en het makkelijkst elders terechtkan. Dat is geen egoïsme maar mobiliteit, en mobiliteit is in elke sociale theorie een deugd, totdat het de verkeerde kant op gaat. Daarna stopt wie hard werkt met hard werken, want inspanning zonder waardering verliest de waarde. Wat overblijft is een middengroep die meende dat ze haar 6 zelf verdiende, en een onderklasse die het systeem het hardst nodig dacht te hebben en er het hardst door werd geraakt. Een verdelingssysteem werkt precies zolang er iets te verdelen valt, en de mensen die de pot vullen zijn dezelfde mensen die het snelst doorhebben dat vullen niet loont, dat het systeem niet deugt, en averechts werkt.

Opvallend is het gedrag van groep D bij T2. Niet het systeem kreeg de schuld, maar de vertrokken bovengroep. Dit patroon is bekend uit de literatuur over kapitaalvlucht, artsenmigratie en het vestigingsklimaat, maar wordt op deze faculteit uitsluitend besproken over de vermogensbelasting.

Beperkingen: n=30, één vak, één breedleraar. De examencommissie zal deze beperkingen ongetwijfeld aanhalen. Ze zal niet aanhalen dat ieder herverdelingssysteem in de echte wereld dezelfde n-gevoeligheid heeft, alleen met grotere n en tragere T2.

6. Conclusie

Solidariteit die verdiend resultaat afpakt heeft een houdbaarheid van precies één meetmoment. Bij het tweede meetmoment is de pot leeg, is de top vertrokken, heeft de subtop de handdoek in de ring gegooid, en ontdekt het midden dat het nooit zelfstandig heeft gestaan. De onderkant, die het allemaal bedacht heeft, houdt over wat ze al had: een 4 en een klacht.

Iedereen even dom. Iedereen even arm. Behalve de paar slimmeriken die de dans ontsprongen. De ongelijkheid werd groter, en dat is ironisch dankzij een systeem dat gelijkheid wilde brengen.

Wie gelijkheid wil, moet iets doen aan het begin: goed onderwijs, eerlijke toegang, extra les voor wie het nodig heeft. Efficient onderwijs, niet nog meer geld in een slecht systeem kieperen, dan financier je alleen maar nog meer een slecht systeem waar niemand wint. Wie gelijkheid afdwingt aan het eind, krijgt gelijkheid, maar dan op het niveau van de laagste noemer.

Driekus