Perverse natuur: gesjoemel met natuursubsidies.

Droge voeten, maar de belastingbetaler onder water.

Door de Driekus Vierkant onderzoeksredactie

Een onderzoek in vijf akten

TL/DR:

  • Er wordt bij waterbergingsprojecten gesjoemeld met natuurgelden voor de aankoop van waterbergingsgrond.
  • De overheid is misleidend overĀ Dwarsdiep-bergingsgebiedĀ / Lucaswolde. Men noemt het een waterbergingsproject. Meer dan 2/3 van het land en meer dan 70% van het geld gaan echter naar ā€˜natuur’.Ā 
  • Vrijwilligheid bij aankoop van grond wordt beloofd, maar uiteindelijk gaat men over tot dwang: onteigening. De opgegeven reden daarvoor is waterveiligheid, maar de echte reden was een aflopende subsidiedeadline voor ā€˜natuur’.
  • De boeren die meewerkten worden gestraft met stikstofbeperkingen, veroorzaakt door de ā€˜natuur’ die ze zelf hielpen aanleggen. Ze leverden grond in, misten de waardestijging, lopenĀ risico dat hun vergunningsruimte wordt afgenomen, de volgende ronde uitverkoop staat daarmee voor de deur.
  • Er ligt geen democratisch proces onder de keuze wat te doen met het landschap, welke vorm van ā€˜natuur’ waar, en waarom wordt gerealiseerd.
  • De CdK, de hoogste bestuurder van de provincie, die de onteigening verdedigde en met aangifte dreigde tegen protesterende boeren, is beschermheer van Het Groninger Landschap, die direct belanghebbende is, die deze nieuwe ā€˜natuur’ beheert en subsidies opstrijkt.
  • Dit is geen Gronings incident. Er is een pervers systeem dat de belastingbetaler op kosten jaagt. Waterberging als smoesje, natuur als instrument. En een zelfreproducerende machine die elke hectare nieuwe ā€˜natuur’ gebruikt om de volgende hectare onvermijdelijk te maken,Ā ten koste van boeren die er al zaten, democratische controle die er nooit was, en een belastingbetaler die het allemaal betaalt zonder het te weten.

Akte 1: Hoe waterberging wordt gefinancierd met geld dat voor natuur bedoeld is

Waterschappen blijken hun wettelijke taak (het drooghouden van laaggelegen land) niet uit de waterschapsbelasting te betalen, maar mede via subsidies te financieren die in werkelijkheid bedoeld zijn voor de aanleg van het Natuur NetwerkĀ Nederland.Ā 

Er is in Nederland een systematische vervlechting ontstaan van twee totaal verschillende publieke doelstellingen, met als gevolg dat de belastingbetaler teveel betaalt en niemand verantwoording aflegt over de totale rekening.

De constructie werkt als volgt:

Een waterschap heeft een waterbergingsopgave: ergens moet een reservoir komen dat bij extreme neerslag water opvangt zodat men de omgeving droog houdt. Zo’n bergingsgebied heeft grond nodig, en grond kost geld.Ā 

Als dat bergingsgebied ook als NNN-natuur wordt aangemerkt, dan betaalt niet het waterschap de grond, maar de provincie uit haar natuurbudget. De grondkosten verdwijnen uit de waterschapsboekhouding en duiken op als “NNN-realisatie” in de provinciale begroting, mede gefinancierd door hetĀ Rijk en de Europese Unie, en uiteindelijk door jou.Ā 

Het waterschap krijgt bergingscapaciteit cadeau. De Europese belastingbetaler betaalt mee aan een waterbouwkundige taak die hij niet kent en waarvoor de subsidies niet zijn bedoeld.

Daarna wordt de gecombineerde aanleg uitgevoerd door één uitvoeringsorganisatie, in Groningen is dat Prolander, die zowel voor het waterschap als voor de provincie werkt. De boekhoudkundige scheiding die bestuurlijk onzichtbaar wordt gehouden, is in de uitvoering simpelweg niet eens meer aanwezig. Er is één inrichtingsplan, één projectteam, en één communicatiestrategie die het geheel presenteert als klimaatadaptatie.

De Onlanden als voorbeeld

Neem als voorbeeld De Onlanden, op de grens van Groningen en Drenthe.Ā Tot het begin van deze eeuw was het gewoon veenweidegebied, kleinschalige natte graslanden met boeren en koeien.Ā Na ernstige overstromingssituaties in 1998 en 2007 werd besloten er een waterberging van te maken. Een legitieme keuze.Ā 

Waterberging kost geld, en NNN-aanwijzing levert subsidie op. Het veenweidegebied werd dus ingericht als waterberging, het werd daarnaĀ aangemeld als Natura 2000-gebied omdat het op een moerasbiotoop begon te lijken, en zo vloeide er Europees geld naar een project dat in essentie een waterveiligheidswerk was.Ā 

De totale eenmalige kosten bedroegen 38 miljoen euro, betaald door waterschap Ć©nĀ provincie samen, maar zonder dat transparant publiek is gemaakt hoeveel ā€˜natuur’ heeft bijgedragen aan een rekening die waterschapsbelasting had moeten dekken.

Nu worden De Onlanden opnieuw uitgebreid. Het algemeen bestuur van Noorderzijlvest stelde 15 miljoen euro beschikbaar voor optimalisatie. De bergingscapaciteit gaat van 7,5 naar 12,7 miljoen kubieke meter. De maximale inzet wordt verwacht gemiddeld eens perĀ 25 jaar. Dat is een investering van 15 miljoen euro voor een bergingsfunctie die bij uitzondering wordt gebruikt, in een gebied dat voor het overige als natuur wordt beheerd op kosten van het SNL-subsidiestelsel.

De boeren die meewerkten aan de realisatie van de Onlanden worden nu beperkt door de stikstofbeperkingen omdat de Onlanden nu ineens ‘natuur’ zijn.

Het Dwarsdiep-bergingsgebied

In het Zuidelijk Westerkwartier bij Lucaswolde is precies hetzelfde patroon zichtbaar, alleen is het project nog in uitvoering en is de boekhoudkundige vermenging daardoor zichtbaarder dan bij De Onlanden.

Het project wordt door de politiek aan de burgers en boeren verkocht als een waterbergingsproject. De cijfers laten een ander beeld zien: van de geschatte totale projectkosten van 60 tot 80 miljoen euro gaat ruwweg 60 tot 70 procent naar natuur, NNN-grondverwerving en inrichting.Ā 

Het waterschap profiteert mee, want de grond die NNN-geld betaalt, is dezelfde grond waarop de bergingscapaciteit van 2,7 miljoen kubieke meter rust. Het waterschap hoeft die grond niet te kopen, niet te pachten, niet te beheren, en niet te vergoeden. Dat voordeel, geraamd op 8 tot 16 miljoen euro puur alleen al aan grondkosten, wordt nergens publiek verantwoord.

Je kan zeggen: handig dat de EU meebetaalt aan dit project. Dat scheelt waterschapsbelasting. Je betaalt het echter zelf.Ā Nederland is netto-bijdrager aan de Europese Unie. Voor elke euro die via Brussel terugkomt als landbouw- of NNN-subsidie, heeft de Nederlandse belastingbetaler er meer ingelegd.Ā 

Misbruik van subsidies

Het gebruik van EU-natuursubsidies om waterschapstaken te financieren is niet alleen een misbruik van het doel van die subsidies. Sterker nog, het is ook nog eens duurder dan wanneer het waterschap zijn werk gewoon zelf had betaald uit de waterschapsbelasting, als de natuurfunctie niet was ingevuld, en men het bij waterberging had gehouden.

Maar de waterschapsbelasting is zichtbaar op een acceptgiro. Europese subsidies zijn anoniem en komen in de ogen van bestuurders en ambtenaren “gratis” binnen, terwijl jij ze betaalt. Dat is de perverse bestuurlijke prikkel die dit systeem in stand houdt.

Dit is een systeemfout die op alle bestuurlijke niveaus moet worden hersteld. Waterberging is een waterschapstaak en moet uit waterschapsgeld worden betaald.Ā 

Natuur is een maatschappelijke keuze die los hiervan moet worden afgewogen en gefinancierd. Zolang die twee door elkaar worden geboekt, is er geen enkele financiële prikkel om te vragen of de waterberging ook goedkoper had gekund, en is er geen enkele politieke prikkel om te vragen of de natuur ook echt gewild is. Beide vragen worden systematisch omzeild door het combinatiemodel. 

Akte 2: Welke natuur eigenlijk, en wie heeft dat besloten?

Het woord natuur heeft in het Nederlandse beleid een bijzondere status gekregen: het klinkt onomstreden, het verwijst naar iets goeds en onschuldigs, en het heeft de eigenschap dat wie er kritiek op levert zichzelf onmiddellijk in een ongemakkelijke positie manoeuvreert. Dat is een retorisch voordeel dat organisaties als Groninger Landschap, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten uitstekend hebben leren benutten. Maar de term verdient kritisch onderzoek.

Want wat is natuur eigenlijk?

De definitie van natuur is ongereptheid: het geheel van ecosystemen dat zich ontwikkelt zonder menselijke ingrepen. Naar die definitie bestaat er in Nederland nauwelijks natuur. Wat wij natuur noemen, is vrijwel uitsluitend beheerd cultuurlandschap. De Veluwe is eeuwenlang beplant, afgebrand, beweid en gejaagd. De heide is ontstaan door overbegrazing en veenwinning. De natte schraallanden die men wil realiseren in het Dwarsdiep bestonden voor een deel pas nadat boeren het veen hadden afgegraven en het land hadden ontwaterd. Ze zijn niet oer, ze zijn het resultaat van menselijke economische activiteit, en ze zijn sindsdien ook alleen in stand gebleven door menselijk beheer: maaien, beweiden, plaggen.

Het beheren van natuur is in die zin een tegenstrijdigheid in zichzelf. Het moment waarop je begint te sturen op een habitattype, wordt het een tuin. Een grote, groene tuin met subsidie. Beheerde natuur bestaat niet, het is cultuurlandschap, alleen klinkt natuur beter, is er door die benaming meer steun en minder weerstand, en kan er dus geld voor worden gevraagd aan de belastingbetaler.Ā 

Welke natuur willen we, en waar, en wie bepaalt dit eigenlijk?

Dat leidt tot een vraag die in het Nederlandse beleidsdebat volledig ontbreekt: welke natuur willen we eigenlijk? De keuze is niet triviaal. Wil je terug naar het pre-agrarische Nederland, dan moet je grote delen van de provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland terugzetten in moerasland en onder water zetten, want dat was het voor de bedijkingen. Wil je het landschap van de vroege middeleeuwen, dan zijn het veengebieden en rietmoerassen. Het landschap van na de veenwinning is een kaal, schraal heidelandschap. Het landschap van na de grote inpolderingen is het productieve weidegebied waar generaties boeren op hebben gebouwd en dat voor het merendeel van de Nederlanders het referentiebeeld voor “natuur” is geworden. Maar dat laatste telt in de NNN-systematiek niet: agrarisch grasland is geen natuur, en een boer die zijn land beheert met lage intensiteit doet aan landbouw, niet aan natuur. Maar wie exact dezelfde grond op een andere manier inricht en beheert, noemt men ineens wel ā€˜natuur’.Ā 

Deze vraag, welk tijdstip we als referentie nemen voor het gewenste landschap, is een fundamenteel politieke keuze. Ze gaat over wat we als samenleving willen nalaten, over de afweging tussen voedselproductie en biodiversiteit, over de verhouding tussen eigendom en collectief belang, over de vraag of Nederland als dichtbevolkt handelsland in 2026 dezelfde ruimtelijke prioriteiten heeft als de opstellers van de Habitatrichtlijn in 1992 veronderstelden. Het is een vraag die thuis hoort in het parlement, in verkiezingsprogramma’s, in een breed maatschappelijk debat.

Dat debat vindt niet plaats.

Wat natuur wordt, waar, wanneer en in welke vorm, wordt vastgesteld in een circuit van provinciale ambtenaren, terreinbeherende organisaties, waterschapsbestuurders en uitvoeringsorganisaties als Prolander. Zij stellen het Natuurbeheerplan op, zij begrenzen het NNN, zij verdelen de SNL-subsidies, en zij zitten samen in de gebiedscommissies die de plannen toetsen. De boer en de omwonende hebben inspraak, of de schijn daarvan. Want de beslissing is al lang genomen voordat de inspraakperiode opent, en wie tegenspreekt wordt vriendelijk begeleid richting een conclusie die al vaststond.

Provinciale Staten stemmen in met begrenzingen die door ambtenaren zijn voorbereid in overleg met de organisaties die er financieel belang bij hebben. Gemeenteraden voeren de bestemmingswijzigingen door die het PIP vereist. Het lijkt op democratie omdat erĀ stemmen worden geteld. Maar de inhoudelijke keuze, het antwoord op de vraag welke natuur we willen, en waar, en waarom, en ten koste van wat, is al gemaakt voordat een volksvertegenwoordiger er een vraag over heeft kunnen stellen. Hier is nooit een maatschappelijk of democratisch debat over geweest. Het is schijndemocratie.

Natuur versus voedselzekerheid

En dan is er nog een vraag die de beleidsconsensus volledig negeert, maar die geopolitiek steeds urgenter wordt. De wereld trekt zich terug uit de gedachte van ƩƩn mondiaal voedselsysteem. Handelsconflicten, oorlog in OekraĆÆne, klimaatstress in zuidelijkeĀ exportlanden, discussies over stikstof, kunstmest, beperkingen in kunstmest invoer, en een bredere trend van strategische autonomie maken dat Europese voedselsoevereiniteit niet langer een romantische gedachte van boerenlobbyisten is, maar een reĆ«el beleidsvraagstuk. De Europese Commissie begint er zelf over te praten. MaarĀ in de provinciale commissies die besluiten over de volgende ronde NNN-realisatie, speelt die vraag geen enkele rol. Grond die eenmaal natuur is, komt niet meer terug. Dat is een onomkeerbare keuze in een wereld die sneller verandert dan de planmakers bij houden. Wat heb je aan ā€˜natuur’, als er voedseltekorten ontstaan, en de voedseleconomie stuk gaat? Er is een grote disbalans in de afweging tussen ā€˜natuur’ en voedselzekerheid.

Akte 3: Vrijwilligheid als facade

De meeste grote gebiedsontwikkelingsprojecten in Nederland beginnen met dezelfde mooie belofte: deelname is volledig vrijwillig. Grondeigenaren worden uitgenodigd om mee te doen, er wordt gesproken over samenwerking, over gebiedsprocessen, over het samen optrekken naar een mooiere toekomst. De eerste bijeenkomsten zijn informeel, de toon is constructief, en de projectleider benadrukt dat niemand wordt gedwongen.

Dat is de voorkant.

De achterkant is dat het projectgebied al is begrensd, de subsidies al zijn aangevraagd, de planologische basis al is gelegd in het provinciale inpassingsplan, en de NNN-begrenzing al in de omgevingsverordening staat. De grond van de boer is al jaren ingecalculeerd als toekomstige natuur en als potentieel bergingsgebied. Het subsidiemodel werkt alleen als het volledige projectgebied wordt gerealiseerd. Er is geen alternatief scenario uitgewerkt waarbij de boer blijft. Het vrijwilligheidsproces is een onderhandelingstechniek, geen echte keuze.

Van vrijwilligheid naar dwang

In het Zuidelijk Westerkwartier duurde het vrijwilligheidsproces meer dan tien jaar. Van de grondeigenaren werkte uiteindelijk 93 procent mee. Dat klinkt als een succes voor de vrijwillige aanpak. Maar voor de 7 procent die niet meewerkte, onder wie de familie Van der Veen in Lucaswolde, volgde geen acceptatie van hun keuze. Vrijwilligheid werd ineens dwang. Er volgde een onteigeningsprocedure. In de publieke communicatie rond die procedure gebruikte de gedeputeerde een subsidiedeadline als argument voor de spoed, een deadline dieĀ niet sloeg op de waterveiligheidsopgave maar op de NNN-inrichtingssubsidie.

Onteigening door gesjoemel met natuursubsidies

Dat is het moment waarop de facade wegvalt. De onteigening voor waterberging is juridisch solide: een waterschap heeft een wettelijke taak en onteigening ten behoeve van die taak is mogelijk. Maar de spoed wordt ingegeven door een subsidiedeadline voor natuur. Het smoesje dat wordt opgevoerd is urgentie van waterveiligheid. De werkelijke drijfveer is het dreigen te mislopen van EU-subsidiegeld voor NNN-inrichting. De boer wordt dus onteigend voor de portemonnee van de provincie, niet voor de droge voeten van zijn buren. Hier zie je het effect van het gesjoemel met natuursubsidies voor waterberging heel duidelijk naar voren komen.Ā 

De prijs voor de boeren

De meewerkende boeren betaalden ook een prijs, zij het een onzichtbare. Zij verkochten grond, doorgaans tegen agrarische marktwaarde, soms met enige opslag. Maar grondprijzen in Groningen zijn sindsdien sterk gestegen. De waardestijging die zij misten wasĀ aanzienlijk. En de grond die zij hielden, is in waarde gedaald door wat er met de grond om hen heen is gebeurd. Want het nieuwe NNN-gebied heeft een planologische status die omliggende agrarische percelen belast: beperkingen in peilbeheer, beperkingen in bemesting, en de stikstofproblematiek die in akte 4 aan bod komt.

Domweg geen eerlijk verhaal

De overheid die zegt dat het primaire doel waterberging is, terwijl natuur een veel groter gebied beslaat, en waarbij het merendeel van de financiering voor natuur is, spreekt zichzelf tegen en houdt het publiek niet het eerlijke verhaal voor.Ā De overheid die belooft dat iets op basis van vrijwilligheid gaat, en vervolgens onteigent als de vrijwilligheid haar niet bevalt, spreekt zichzelf tegen. Vrijwilligheid die eindigt in een onteigeningsvonnis was nooit echte vrijwilligheid. Het was een harde verwervingsstrategie met een vriendelijk gezicht in fase 1.

Akte 4: De stikstofval die niemand zag aankomen, of toch wel?

Wanneer een agrarisch gebied wordt omgezet naar NNN-natuur met een habitatstatus, verandert er iets fundamenteels in de juridische omgeving van alle boeren in de directe omgeving. De nieuwe natuur, eenmaal vastgelegd in het Natuurbeheerplan en aangemeld als stikstofgevoelig habitattype, wordt een referentiepunt in AERIUS, het rekenmodel dat deposities van stikstof op gevoelige natuur berekent. Natte schraallanden en vochtige hooilanden, de doelhabitats van het Dwarsdiep, horen tot de meest stikstofgevoeligeĀ typen in het stelsel, met kritische depositiewaarden van 700 tot 1.000 mol stikstof per hectare per jaar.

Het effect voor de boer

De boer heeft zijn bedrijf gevoerd binnen de toen geldende regels. Hij heeft mogelijk zelfs meegewerkt aan de gebiedsontwikkeling, grond verkocht of contracten getekend voor agrarisch natuurbeheer. En dan wordt naast hem een stikstofgevoelig Natura 2000-habitattype gerealiseerd, dat in AERIUS als ontvangend oppervlak wordt ingevoerd. Zijn eigen uitstoot, die niet is veranderd, slaat nu ineens neer op een nieuw kwetsbaar habitattype dat er voorheen niet was. Zijn vergunningsruimte krimpt. Uitbreidingsplannen worden geweigerd. De bedrijfswaarde daalt. In het ergste geval wordt hij in de volgende ronde van het gebiedsproces zelf als uitkoopdoelwit aangemerkt, omdat zijn bedrijf te veel stikstof deponeert op de natuur die een paar jaar eerder naast hem is aangelegd.

Dat is geen hypothetisch scenario. Het is het mechanisme dat in De Onlanden al zichtbaar is, en dat in het Zuidelijk Westerkwartier onvermijdelijk dezelfde werking zal hebben zodra de NNN-gebieden hun definitieve habitatstatus krijgen. De boeren die meewerkten aan de waterberging en daarvoor grond verkochten, hebben onbedoeld bijgedragen aan het creƫren van het stikstofinstrument waarmee zij en hun buren vervolgens worden beklemd.

Amateurisme of beleid?

Of dit een onbedoeld neveneffect is, of een bewuste beleidsstrategie, is misschien wel de meest ongemakkelijke vraag in dit dossier. Het eerlijke antwoord is dat het mechanisme in beleidskringen volledig bekend is. Het gesjoemel met Programma Aanpak Stikstof en de de juridificering van opvolger AERIUS dat niet solide genoeg is, zijn gebaseerd op de veronderstelling dat nieuwe natuur depositieruimte opslokt en daarmee druk zet op omliggende economische activiteit. De gebiedsplannen voor het Zuidelijk Westerkwartier zijn expliciete onderdelen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied, dat als centrale doelstelling heeft de stikstofdepositie in kwetsbare natuur te verlagen, onder meer door de agrarische sector in de omgeving van die natuur te saneren.

Met andere woorden: de overheid weet dat NNN-realisatie leidt tot stikstofbeperkingen voor omliggende boeren. Zij weet dat die beperkingen op termijn leiden tot bedrijfsbeƫindiging of uitkoop. Zij weet dat die uitkoop vervolgens de volgende ronde van grondverwerving voor natuur financiert. Het is een systeem dat zichzelf reproduceert. Elke hectare nieuwe natuur maakt de volgende hectare onvermijdelijker.

Wegdraaien voor verantwoordelijkheid

Of dat een bewust doel is of een structurele systeemlogica die niemand bewust heeft ontworpen maar die iedereen wel laat draaien, maakt voor de boer die erdoor wordt geraakt weinig verschil. Hij wordt tweemaal gepakt: eerst in zijn grond, dan in zijn vergunningsruimte. En de overheid die hem pakt, presenteert beide slagen als onontkoombaar gevolg van externe verplichtingen, Europees recht, klimaatverandering, biodiversiteitsdoelen, terwijl zij zelf de keuzes hebben gemaakt die de situatie onvermijdelijk maakten. Men draait weg voor de eigen verantwoordelijkheden en eigen rol in dit dossier.Ā 

Akte 5: De beschermheer en zijn bestuurlijke blindheid

Dan even terug naar Lucaswolde in Groningen. De CdK is voorzitter van Gedeputeerde Staten en heeft daarin stemrecht. Zijn portefeuille omvat kwaliteit van het openbaar bestuur, integriteit en weerbaar bestuur. Hij kondigde aan aangifte te doen tegen FDF na hun uitingen rond Lucaswolde, en sprak zich fel uit tegen beĆÆnvloeding van statenleden, die volgens de Grondwet vrij moeten kunnen stemmen. Dat principe paste hij selectief toe. Dezelfde statenleden werden ook door het college en de eigen fractie onder druk gezet, en daar trad hij niet tegen op. Fractiediscipline is in bestuurlijke kringen zo vanzelfsprekend geworden dat niemand er meer van opkijkt. Dat het college daarbij tegen het eigen akkoord inging, nam men er kennelijk bij. Respectievelijk ongrondwettelijk en ondemocratisch. Hij is ook degene die de onteigeningsprocedure tegen de familie Van der Veen in het openbaar verdedigde als noodzakelijk en rechtmatig, die nu twijfelachtig blijkt te zijn.

De CdK is tegelijkertijd ook beschermheer van Stichting Het Groninger Landschap.

Dat staat op de website van de provincie, tussen de beschermheerposities voor het Koninklijk Mannenkoor Gruno en de Provinciale Brassband Groningen. Onbezoldigd, voortvloeiend vanuit de functie, dus kennelijk een vanzelfsprekendheid die niemand problematisch vindt.

Maar de positie is niet vergelijkbaar met een beschermheerschap voor een mannenkoor. Het Groninger Landschap is een terreinbeherende organisatie die direct institutioneel belang heeft bij de realisatie van NNN-natuur in de provincie. Meer natuur betekent meer areaal voor het Groninger Landschap, meer SNL-beheersubsidie, meer maatschappelijke relevantie, en een sterkere positie in de volgende ronde van gebiedsprocessen. De provincie Groningen is de primaire financier van die organisatie via het Natuurbeheerplan en de SNL-subsidietoekenning. De commissaris van de Koning is de hoogste bestuurder in het college dat die subsidies toekent en die begrenzingen vaststelt.

Dat is geen ceremonie. Dat is een institutionele verstrengeling.

Er hoeft geen sprake te zijn van bewuste beĆÆnvloeding. Er hoeft geen afspraak te zijn gemaakt, geen telefoontje te zijn gepleegd, geen compromis te zijn gesloten. Het punt is niet de intentie, maar de structuur. Een commissaris die beschermheer is van eenĀ organisatie die profiteert van beleid waarover hij meestemt, kan structureel niet onafhankelijk oordelen over de vraag of dat beleid juist is. Niet omdat hij per se bevooroordeeld is, maar omdat de positie het onmogelijk maakt die onbevangenheid te toetsen. En in een rechtsstaat is toetsbaarheid geen luxe, maar een vereiste.

Governance: vermijd de schijn van het verweven van belangen

In de private sector zou een commissaris die erefunctionaris is van een organisatie waaraan zijn bedrijf tientallen miljoenen subsidie verstrekt, per direct moeten terugtreden of de positie neerleggen. Dat is geen scherp oordeel, dat is governance-standaard. Het publieke recht kent strengere integriteitseisen voor bestuurders dan het civiele recht voor commissarissen. Dat het hier klaarblijkelijk anders werkt, zegt iets over hoe vanzelfsprekend de verstrengeling van bestuur en maatschappelijke organisatiesĀ in het Nederlandse provinciale landschap is geworden, en niemand hier vragen bij stelt: gedeputeerden, statenleden, ambtenaren, journalisten.

Paas heeft aangifte gedaan tegen boze boeren. Hij heeft een onteigeningsprocedure verdedigd waarbij de onteigend grond uiteindelijk in beheer kan komen bij een organisatie waarvan hij beschermheer is. Niemand heeft hem daarop aangesproken.Ā 

Niemand hoeft te veronderstellen dat Paas bewust in het belang van Het Groninger Landschap heeft gehandeld. Maar de structuur maakt onafhankelijke oordeelsvorming onmogelijk te toetsen, en dat is in een rechtsstaat al voldoende reden om zo’n nevenpositie niet te bekleden. Niet als je tegelijkertijd boeren onteigent wier grond uiteindelijk bij die organisatie in beheer kan komen, en zeker niet als je zelf de mond vol hebt van ā€˜de democratie’, waar we gezien al het bovenstaande wel wat vraagtekens bij kunnen stellen.

Er is teveel verstrengeling in dit systeem

Deze akte is niet bedoeldĀ als aanval op de CdK persoonlijk, maar illustreert hoe het beleidssysteem rond NNN en gebiedsontwikkeling zo is ingericht dat verstrengeling structureel is ingebakken in het systeem, en niemand verantwoording over hoeft af te leggen.

Afsluitend

Lucaswolde is geen incident. Het is een plek waar een structurele bestuurlijke logica zichtbaar wordt die normaal verborgen blijft achter de gladde taal van gebiedsprocessen, klimaatadaptatie en biodiversiteitsherstel.Ā 

Die logica werkt als volgt:

  • Combineer waterveiligheid met natuur zodat creatief meerdere subsidiestromen kunnen worden aangesproken.Ā 
  • Beloof vrijwilligheid zolang het werkt, en schakel over op onteigening wanneer het niet werkt.Ā 
  • CreĆ«er habitattypen naast bestaande bedrijven zodat stikstofbeperkingen vanzelf de volgende ronde uitkoop rechtvaardigen.Ā 
  • En zorg ervoor dat de mensen die besluiten over dit beleid ook de mensen zijn die er institutioneel van profiteren.

Dat systeem vraagt niet per sé om betere intenties bij de betrokkenen, het vraagt om betere spelregels:

  • Waterberging betaald door waterschapsbelasting.Ā 
  • Natuur als expliciete democratische keuze, niet als bijproduct van subsidieoptimalisatie en achterkamertjesbeleid door belanghebbende partijen.Ā 
  • Transparante gescheiden boekhouding voor elke gecombineerde investering.Ā 
  • Een breed, open maatschappelijk debat over de vraag welk landschap Nederland wil zijn, waar, voor wie, en ten koste van wat.
  • Een eerlijker weging tussen natuur en voedselvoorziening.

Dat debat heeft nog niet plaatsgevonden. Laat dit blog de basis zijn om dat te beginnen.

Bonus: De rekening. Waterberging alleen versus waterberging met natuur

Het Dwarsdiep-bergingsgebied heeft een capaciteit van 2,7 miljoen kubieke meter. Dat is de waterveiligheidsdoelstelling. Alles daarboven is natuur.Ā Dit vereist ruwweg 150 hectare effectief bergingsoppervlak.Ā 

Dit is een berekende schatting op basis van vergelijkbare waterbergingsprojecten in Nederland, geen officieel gedocumenteerde norm. De provincie en het waterschap hebben nooit publiek verantwoord hoeveel hectare de waterbergingstaak strikt genomen vereist,Ā en dat is op zichzelf veelzeggend.

150ha is het grondoppervlak dat je nodig hebt voor de kades, het bergingsbekken zelf, en de benodigde kunstwerken. Niet meer.Ā Het NNN-projectgebied in het Dwarsdiep-deelgebied beslaat naar schatting 600 tot 800 hectare. Dit betekent dat 450 tot 650 hectare bedoeld is voor ā€˜natuur’ versus 150 hectare voor waterberging. De verhouding is daarmee 1:3 tot 1:4 waterberging versus natuur.Ā 

Scenario A: Wat kost alleen waterberging?

  • Grondverwerving 150 ha | 55.000 euro/ha | 8,25 mln
  • Waterbouwkundige werken | Kades, gemalen, stuwen, kunstwerken | 10 mln
  • Engineering en ontwerp | Arcadis/Sweco, MER, vergunningen | 1,5 mln
  • Plankosten en procedures | Juridisch, bestuurlijk, communicatie | 1 mln
  • Totaal eenmalig ca. 21 mln euro

Jaarlijkse beheerskosten daarna: onderhoud kunstwerken, maaibeheer kades, monitoring waterstanden. Raming op basis van vergelijkbare technische bergingen: 100.000 tot 150.000 euro per jaar. Geen SNL-subsidie nodig, geen terreinbeheerder, geen habitatmonitoring.

Contante waarde beheerskosten over 30 jaar bij 4% discontovoet: circa 1,7 tot 2,6 mln euro.Ā Totale maatschappelijke kosten scenario A: 22,7 tot 23,6 miljoen euro.

Scenario B: de werkelijkheid, waterberging met natuur

  • Grondverwerving totaal NNN Dwarsdiep (~700 ha) 35 tot 45 mln
  • Waterbouwkundige werken | deels zelfde als scenario A | 10 tot 12 mln
  • NNN-inrichting (plaggen, profiel, beplanting) |Ā  10 tot 14 mln
  • Engineering, MER, plankosten 10+ jaar, gecombineerde procedure | 6 tot 9 mln |
  • Prolander organisatiekosten grondverwerving en projectbeheer | 3 tot 5 mln |
  • Totaal eenmalig 64 tot 85 mln euro

Jaarlijkse beheerskosten daarna:

  • SNL NNN-natuur (~600 ha, vochtig hooiland) | 300.000 tot 500.000 euro
  • Waterschapsonderhoud kunstwerken | 150.000 tot 200.000 euro
  • Habitatmonitoring, KRW-rapportage, peilbuizennet | 100.000 tot 150.000 euro
  • Totaal jaarlijks 550.000 tot 850.000 euro

Contante waarde beheerskosten over 30 jaar bij 4%: circa 9,5 tot 14,7 mln euro.Ā Totale maatschappelijke kosten scenario B: 73,5 tot 99,7 miljoen euro.

Het verschil tussen beide scenario’s:

Eenmalige kosten:

  • Waterberging eenmalig 21 mlnĀ 
  • Waterberging + ā€˜natuur’ 64 tot 85 mln
  • Verschil: 43 tot 64 mln meer kosten voor de belastingbetaler.

Structurele kosten (30 jaar):

  • Waterberging 1,7 tot 2,6 mlnĀ 
  • Waterberging + ā€˜natuur’ 9,5 tot 14,7 mlnĀ 
  • Verschil: 7,8 tot 12,1 mln meerĀ kosten voor de belastingbetaler.

Als je eenmalig plus structureel bij elkaar optelt, dan betaalt de belastingbetaler 51 tot 77 miljoen euro meer voor waterberging plus natuur, dan alleen voor waterberging. Dat is ruwwegĀ drie tot vier keer zoveel als een puur technische waterberging had gekost.

Wie betaalt wat, en wat is er dus oneigenlijk?

Van de meerkosten van 51 tot 77 miljoen euro komt het overgrote deel ten laste van:

  • het Rijk via het Natuurpact en NPLG-middelen,
  • de EU via GLB- en LIFE-subsidies,
  • en de provincie Groningen via het SNL en grondverwervingsbudget.

Het waterschap betaalt ruwweg 18 tot 25 miljoen euro, wat dicht bij de kosten van scenario A ligt. Dat betekent dat het waterschap zijn waterveiligheidsdoelstelling goedkoop realiseert, terwijl de meerkosten voor de natuur worden afgewenteld op andere belastingbetalers, waaronder de Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting.

De oneigenlijke subsidie, NNN-geld dat feitelijk de grondkostenrekening van de waterschapstaak betaalt, bedraagt eenmalig naar schatting 11 tot 22 miljoen euro, zoals eerder berekend. Dat is het deel van de NNN-grondkosten dat direct toerekenbaar is aan hetĀ bergingsoppervlak dat het waterschap nodig heeft maar niet zelf hoeft te kopen.

Vertaald naar de individuele belastingbetaler

Groningen heeft circa 600.000 inwoners. De meerkosten van 51 tot 77 miljoen euro voor dit ene deelproject betekenen een extra last van circa 85 tot 128 euro per huishouden, eenmalig, bovenop wat de waterberging allƩƩn had gekost. Dat klinkt bescheiden, totdat je beseft dat dit patroon tientallen keren tegelijk wordt uitgerold in heel Nederland, en dat de structurele beheerkosten voor decennia doorlopen.

De waterschapsbelastingbetaler in het Noorderzijlvest-gebied, zo’n 300.000 huishoudens, betaalt via de waterschapsbelasting mee aan een project waarvan het waterschap voor zijn eigen taak maar een fractie van de totale rekening draagt. De rest is weggeschreven in budgetten die ver genoeg van de waterschapsrekening vandaan zijn om geen politieke weerstand op te roepen.

Dat is precies hoe het systeem werkt. Tijd om het te veranderen!

Hoe Nederland 'natuur' maakt
Hoe Nederland ‘natuur’ maakt