Aan tafel!

Op 2 juli debatteert de Tweede Kamer over de vraag waar Nederland zijn nieuwe kerncentrales bouwt. Twee locaties zijn over: Terneuzen en de Eemshaven. Volgens netbeheerder TenneT is de Eemshaven van de grote-reactor-opties de beste plek van het land. En uitgerekend daar, op de plek met de sterkste papieren, organiseert het Groningse bestuur bussen naar Den Haag om er nee tegen te zeggen.

Dit stuk gaat over hoe dat kan. Over welke afspraken er werkelijk zijn gemaakt, hoe Groningen reageert, hoe één onderzoek tot het tegenovergestelde van zijn inhoud wordt teruggebracht, hoe de provincie negen jaar lang op een waterstofdroom heeft gegokt die de markt allang heeft afgeschreven, waarom het Rijk handelt zoals het handelt, en over het alternatief, dat niet boos in een bus zit maar onderhandelend aan een tafel.

Welke afspraken zijn er nu echt gemaakt?

De Groningse bestuurders spreken het Rijk aan op contracttrouw over het laten aanlanden van 33% van alle windparkstroom in Groningen. “Afspraak is afspraak”, schrijven gedeputeerde Roemers en wethouder Dijkhuis. Daar zijn wij het mee eens. Maar dan moet je wel vertellen welke afspraak er precies is gemaakt, en welke niet.

De afspraak waar men op doelt komt uit Nij Begun, de kabinetsreactie op de parlementaire enquête aardgaswinning. Maatregel 35.1 draagt de kop “Groningen wordt dé waterstofprovincie van Nederland” en belooft dat ten minste 33 procent van de nog aan te leggen capaciteit voor wind op zee zal aanlanden in de provincie Groningen. 

Hard, ondubbelzinnig, provinciaal. Tot je twee zinnen verder leest. Daar staat de voorwaarde: aanlanding kan alleen “indien inpasbaar” en afhankelijk van lopend onderzoek. De toezegging was vanaf dag één voorwaardelijk.

En er staat nog een zin die ertoe doet: dit zou worden vastgelegd in het Ontwikkelkader Wind op Zee. Dat is geen detail. Het Ontwikkelkader is het enige document waarin afspraken over wind op zee juridisch gaan bijten, met opleverdata en met vergoedingen als TenneT die mist. Wat erin staat is afdwingbaar. Wat er niet in staat, is een wens.

Wij lazen het Ontwikkelkader van december 2024, van kaft tot kaft. De 33 procent staat er niet in. De provincie Groningen staat er niet in als verplichting. Wat er wél staat zijn twee losse kavels met als aansluitlocatie “nog vast te stellen: Eemshaven” en een oplevering die “nog onzeker” heet. Geen percentage, geen ondergrens. 

Er is nog iets dat de bestuurders verzwijgen. Over kerncentrales is in Nij Begun helemaal niets afgesproken. Het verzet daartegen komt uit moties van Kamer, Staten en raden, dat zijn politieke uitspraken, geen afspraak met het Rijk. Er was wél een eerdere toezegging dat Groningen buiten het locatieonderzoek zou blijven, maar die hield geen stand: op advies van de landsadvocaat concludeerde het kabinet in 2024 dat de Eemshaven niet op voorhand kon worden uitgesloten, omdat een besluit anders juridisch onhoudbaar zou zijn. Toegegeven, het Rijk stelde zaken anders voor, maar Groningen was ook naïef en hoorde wat het wilde horen.

Conclusie: er is een afspraak over windaanlanding, voorwaardelijk en nooit verankerd waar zij zou binden. Er is geen afspraak over kerncentrales. Het verwijt van woordbreuk is dus deels terecht en deels onjuist, en Groningse bestuurders mengen de twee tot één frame dat geen van beide recht doet.

Hoe Groningen reageert

Emotioneel. Toen het kabinet de lijst op 19 juni terugbracht tot twee locaties, reageerde Zeeland zakelijk: als het komt, dan binnen een breder pakket van werk, wonen en voorzieningen, en men rekent al met duizenden banen. Groningen reageerde met een emotioneel en principieel nee, met woorden als “bizar” en “een klap in het gezicht” en met de aankondiging van bussen naar Den Haag.

Die bussen zijn veelzeggend. Ze worden ironisch genoeg betaald uit het budget dat de provincie van het Rijk krijgt voor juridisch verweer. Geld bedoeld voor een procedure wordt gebruikt om een protest te organiseren dat precies dat ene beeld moet uitstralen: zogenaamd geen draagvlak. En dat beeld zal vervolgens worden gefotografeerd als bewijs in de pers van datzelfde zogenaamde gebrek aan draagvlak.

Het wrange is dat dit verzet niet voortkomt uit onwetendheid. Uit het onderzoek blijkt dat 82 procent van de omwonenden van de Eemshaven wist dat hun gebied mogelijk kerncentrales zou krijgen, een percentage hoger dan rond de Maasvlakte. Groningers zeggen geen nee omdat ze overvallen zijn, ze zeggen nee terwijl ze het wisten. 

Wat hen onderscheidt is wantrouwen: het vertrouwen dat de minister een weloverwogen keuze maakt ligt hier op 23 tot 25 procent, tegen 39 tot 42 procent elders. En 19 procent noemt spontaan een gevoel van onrecht, tegen 1 tot 5 procent in andere gebieden.

Dat wantrouwen is terecht. Het komt regelrecht uit het gasdossier, de bevingen, de schadeafhandeling en de windmolens midden in Meeden. Daar valt niets op af te dingen. Maar wantrouwen is geen strategie. Het scherpste cijfer uit het hele rapport: gevraagd welke voorwaarden men zou stellen als er tóch centrales komen, weigert 30 procent van de omwonenden zelfs maar voorwaarden te formuleren. Rond de Maasvlakte is dat 10 procent. Dertig tegen tien. Dat is het verschil tussen wie de calimero-eierschaal opzet en wie pragmatisch is.

Groningen heeft de beste onderhandelingspositie van het land en kiest ervoor niet te onderhandelen. Dat is geen kracht. Dat is een cadeau in de schoot geworpen krijgen en boos weglopen. Met het risico dat er over je wordt geregeerd, en je met lege handen staat.

Hoe één onderzoek uit verband wordt getrokken

De hele “geen draagvlak bij de Groningers”-these leunt op één rapport: het bewonersonderzoek van Ipsos I&O, nummer 2026/021, gedateerd februari 2026, met veldwerk uit oktober en november 2025. Vijftigduizend huishoudens aangeschreven, 8.628 ingevuld, gewogen op leeftijd en geslacht. Wij lazen het regel voor regel.

Wat er werkelijk staat is dat slechts 30 procent kernenergie principieel afwijst, zeventig procent dus niet. 48 procent van de omwonenden en 55 procent van de bredere regio ziet kansen, vooral werk en schone energie. In Groningen is de groep die positief staat groter dan de groep die negatief staat, 38 tot 39 procent tegen 31 tot 34 procent. De meest genoemde voorwaarde is niet “nooit”, maar “doe het veilig”. 

En een representatief panel van Hart van Nederland vond in juni zelfs een lichte meerderheid vóór: 51 tegen 39 procent.

Wat er níet staat? De woorden “geen draagvlak” komen in het rapport niet voor. Toen het Dagblad van het Noorden er de kop “in Groningen is geen draagvlak” boven hing, ging het nat. Die conclusie staat haaks op de resultaten van het onderzoek, het is een verzonnen negatief frame.

Boven hetzelfde rapport hadden drie koppen gekund. “Zeventig procent heeft geen principieel bezwaar.” “Helft van de Groningers ziet kansen voor werk en schone energie.” En “Geen draagvlak in Groningen.” Telkens kiest de regionale pers de derde, de donkerste deur. Mensen lezen geen rapporten, mensen lezen koppen.

En zo ontstaat een machine. De politiek roept dat er geen draagvlak is, de pers herhaalt het, de burger voelt zich bevestigd, een onderzoek meet die stemming, de kop vat het negatief samen, de provincie houdt die kop aan Den Haag voor als bewijs, en het rondje begint opnieuw. Kleur, meet, publiceer, voed, meet opnieuw. Een deel van de Groningse negativiteit is niet de oorzaak van de spiraal, maar het product ervan. En de hand die het hardst aan die hendel draait, is telkens de Groningse zelf.

Tussen “iets negatiever en verdeeld” en “geen draagvlak” zit een wereld van verschil. Die wereld wordt niet gemeten. Die wordt gemaakt. Met als doel om de Haagse plannen te saboteren, door valselijk een negatiever beeld voor te stellen. Er is wel degelijk draagvlak in Groningen voor kerncentrales. Op voorwaarden, net als elders. 

Hoe Groningen te lang op waterstof gokte

Om te begrijpen waarom de provincie zich zo vastbijt in het verzet, moet je weten waar het verzet vandaan komt. Niet alleen uit ideologische weerstand tegen kerncentrales, maar uit gehechtheid aan een ideologisch plan: de waterstofeconomie.

Dat begon in 2017 met het “Rode Boekje” van hoogleraar Ad van Wijk, geschreven in opdracht van de noordelijke innovation board. De opdracht was breed: zoek over de hele economie naar kansen nu het gas wegvalt. Het antwoord was smal: waterstof. Vervang aardgas door waterstof, hergebruik de gasleidingen, behoud de banen. In 2020 werd het Project NortH2: Gasunie, Groningen Seaports en Shell, drie tot vier gigawatt wind, 800.000 ton groene waterstof per jaar, het grootste project van Europa.

Het plan sloeg aan, niet omdat er een gezamenlijk groter belang werd gediend, maar omdat het ieders eigen belang diende. Gasunie zag een tweede leven voor zijn leeglopende leidingen. Shell zag groene PR, een subsidiekraan en een manier om een vijandige provincie rustig te krijgen in het bevingsdossier. De provincie zag eindelijk weer een verhaal. En juist daar hadden de alarmbellen moeten rinkelen: als iedereen een reden heeft om iets te willen geloven, controleert niemand meer of het waar is.

Want de som klopte niet. Het boekje beloofde groene waterstof voor 2 tot 3 euro per kilo, en die prijs rustte op twee aannames tegelijk: spotgoedkope stroom én een elektrolyser die vrijwel continu draait. Maar wind en zon leveren geen continue stroom, die leveren een derde van de tijd. Een dure machine die tweederde van de tijd stilstaat verdient zichzelf niet terug. De enige bron die wél continu levert, kernenergie, komt in het hele boekje niet één keer voor. Het plan was achterstevoren gebouwd: eerst de gewenste uitkomst, daarna een som die baseload nodig had, en de enige bron die dat kon leveren weggelaten.

De werkelijkheid anno 2026 is genadeloos. Groene waterstof zit wereldwijd boven de 5 dollar per kilo en wordt duurder, niet goedkoper. Wereldwijd is 60 tot 70 procent van de beurswaarde van waterstofbedrijven verdampt, tientallen gigawatten aan projecten zijn geschrapt, van Australië tot het Midden-Oosten. In Nederland rekende de Algemene Rekenkamer het op 10 december 2025 voor: de aanlegkosten van het waterstofnet stegen van 1,5 naar 3,8 miljard, er gaapt een gat van 1,8 miljard, en van de vijftien deeltrajecten wordt er één aangelegd. Shell trok zich terug, Equinor schrapte zijn fabriek in de Eemshaven. Het probleem is niet de techniek. De elektrolysers werken. Het probleem is dat er geen klant is die de groene meerprijs wil betalen.

En toch bouwt Groningen door, en wijst het tegelijk de enige bron af die de waterstofdroom betaalbaar had kunnen maken. Want waterstof is geen accu, het is een grondstof voor de industrie, en als grondstof staat of valt het met draaiuren. Een elektrolyser op constante kernstroom draait nagenoeg continu, op maximaal rendement. Dat heet roze waterstof. Niet de waterstofdroom was het probleem, maar de volgorde: eerst een afzetmarkt en een betrouwbare bron, dan pas de moleculen. Groningen koos het omgekeerde.

Conclusie: het verzet tegen de kerncentrale beschermt geen Gronings belang. Het beschermt een ideologie, een verloren weddenschap, en de organisaties die hun overlevingsstrategie eraan hebben opgehangen.

Waarom het Rijk handelt zoals het handelt

Er is geen kwaadaardig complot tegen Groningen. Het Rijk lost een nationale puzzel op: een overvol stroomnet, een kustlijn die al vol staat, kernenergie die vaste netruimte vraagt en wind die ergens moet aanlanden. In die landelijke puzzel is Groningen een deeloplossing, geen doel.

Daarom schrijft staatssecretaris De Bat in zijn Kamerbrief van 19 juni dat windstroom beter bij Terneuzen kan aanlanden, zodat in de Eemshaven netcapaciteit overblijft voor twee kerncentrales. En daarom is het voor het Rijk zo handig dat de 33 procent-afspraak nooit hard werd gemaakt. Een in het Ontwikkelkader verankerde belofte had TenneT aan opleverdata en vergoedingen gebonden, en had deze ruil onmogelijk gemaakt. De zachtheid van de belofte is precies wat haar nu opzij laat zetten.

Drie stappen, één richting. “Provincie Groningen” werd “Noord-Nederland”. De Tunnelroute werd afgewaardeerd tot voorlopig niet kansrijk. En de wind gaat naar Zeeland zodat de Eemshaven aan de kernenergie kan. Het Rijk speelt geen spel, het optimaliseert. Maar wie telkens de variabele is die moet wijken, hoeft geen opzet te vermoeden om het vertrouwen te verliezen.

Het Rijk handelt rationeel binnen zijn eigen puzzel. Precies daarom moet Groningen zorgen dat het zelf een schaakstuk met gewicht wordt, in plaats van een pion. 

De uitweg: aan tafel, met een voorstel

Er komen twee tot vier centrales in Nederland, en de logische verdeling is een of twee in Zeeland en een of twee in Groningen, al was het maar omdat spreiding robuuster is. Groningen is aangemerkt als de beste optie voor kerncentrales. De vraag is dus niet óf ze er komen, maar onder welke voorwaarden. En door botweg tegen te zijn,verspeel je precies de kans om die voorwaarden te bedingen.

Het bod zou helder kunnen zijn. Ja voor de kerncentrales, op één keiharde voorwaarde: ook de beloofde 33 procent windaanlanding komt naar Groningen, deze keer zwart op wit. Want het is een valse tegenstelling dat wind én kern niet samen kunnen. De bottleneck in het netwerk speelt pas rond 2040, de windstroom landt al rond 2030. 

Daar zit tien jaar tussen, tijd genoeg om de capaciteit op te schalen en, belangrijker, om die stroom in Groningen te houden in plaats van weg te sturen. En dan komt de eigenlijke winst in zicht. Niet de stroom exporteren, maar er hier iets van maken: 

Groene chemie in de Eemsdelta, goed voor ongeveer een zevende van de nationale chemieproductie, wacht alleen op goedkope, schone, constante stroom om groene ammoniak, e-methanol en duurzame kerosine te maken: concrete producten, concrete klanten, duizenden productiebanen. 

En de digitale economie rond de nieuwe Nederlandse AI Factory, die juist naar Groningen kwam omdat hier nog ruimte op het net was, kan uitgroeien tot een “Dataport”, het Brainport van data, met soevereine Europese rekenkracht en alles wat daaromheen groeit.

Voeg daar de voorwaarden uit het Ipsos onderzoek zelf aan toe: aantoonbare, onafhankelijk getoetste veiligheid, harde garanties voor het Wad, stroom tegen kostprijs voor eigen huishoudens en bedrijven, en een aandeel met dividend op alles wat naar het zuiden gaat. Dan verandert de centrale van een last die wordt opgelegd in een bezit dat wordt opgebouwd. Dan schiet die 51 procent draagvlak moeiteloos richting 75. 

Stopcontact en eigenaar, in plaats van pinautomaat en wingewest.

Dat vraagt één ding van de Groningse bestuurders, en het is het moeilijkste wat er is: ideologie en emotie inruilen voor pragmatisme en strategie. 

Minder de vraag of het oneerlijk is dat Groningen weer wordt gevraagd, want dat is het misschien. Meer de vraag wat Groningen ervoor terugkrijgt als het toch gebeurt. Het recht om te klagen over het verleden is verdiend. Maar klagen is geen strategie, en een blijvend slachtofferschap trekt precies de behandeling aan waar het over klaagt.

Want wat als Den Haag straks besluit dat de centrales er komen, zonder Groningen aan tafel? Dan wordt de provincie opnieuw de pinautomaat, terwijl ze het stopcontact had kunnen worden. En kan iedereen weer roepen dat het ons overkomt. Dan is de klaagcirkel weer rond.

De vraag voor 2 juli is dus simpel. Zit Groningen in die bus naar Den Haag met een calimero-eierschaal op het hoofd, of met een lijstje voorwaarden dat het kan binnenslepen om Groningen de toekomst in te helpen, met nieuwe energie?

Wil je de diepte in? Lees ons hele dossier: